Sporen van de Tempelieren in Nederland - http://www.tempelieren.nl - © Ben Brus 2008 



Over de auteur

Ik werd geboren op 30 september 1917 te Lichtenvoorde.

Eerst volgde ik een kweekschoolopleiding tot onderwijzer.

Nogal ingrijpende ervaringen in de crisis- en oorlogsjaren wekten bij mij belangstelling voor politieke en sociaal-culturele aangelegenheden. Daarmee ontstond ook een behoefte aan een nieuw begin. Dit vond zijn vorm in een studie psychologie aan de Katholieke Universiteit te Nijmegen.

In 1955 deed ik mijn doctoraal examen. In 1978 promoveerde ik op het proefschrift: ”Zoekend naar een derde weg”, waaraan o.a. waren toegevoegd: “Didaktiek naar menselijke maat” en “Leren bij Husserl”.

Ik was achtereenvolgens werkzaam als assistent, wetenschappelijk-medewerker en hoogleraar aan het Pedagogisch-, later het Onderwijskundig Instituut van de Radboud Universiteit te Nijmegen. Mijn leeropdracht luidde: “Onderwijskundige Onderzoeksmethoden”.

Ik verrichtte onderzoek op het gebied van onderwijs en opvoeding. Onderzoek naar het lezen en leren-lezen nam daarbij een belangrijke plaats in. Zo construeerde ik enkele schoolvorderingentests voor het lezen, waaronder de veel gebruikte “Een-Minuuttest”. Ik zette mij in voor de introductie van het empirisch onderzoek op het gebied van onderwijs en opvoeding. Daarbij vroeg ik aandacht voor de wat moeizame verhouding daarbij tussen theorie en praktijk.

Van de kennismaking met de sociale wetenschappen op academisch niveau verwachtte ik veel. Dit liep uit op een bittere teleurstelling. Wat ik aantrof was een niet geïntegreerd conglomeraat van theorieën en theorietjes. Aan in de praktijk van onderwijs, opvoeding en beleid ervaren problemen gingen deze veelal voorbij. De talrijke “projecten” en vernieuwingspogingen, die vanuit een wetenschappelijke verworvenheid werden opgezet, verzandden doorgaans en deden vaak meer kwaad dan goed. Het meest verbaasde me, dat dit niemand scheen te verontrusten. Af en toe kwam het “tekort schieten” van de sociale wetenschappen zo duidelijk aan de oppervlakte, dat het niet genegeerd kon worden. Twee verontschuldigingen werden dan aangevoerd. Of men beriep zich op het feit, dat het hier ging om jonge wetenschappen. Men mocht er nog niet te veel van verwachten. Of met betrekking tot het betrokken probleemgebied moest eerst nog veel meer onderzoek worden verricht. Beide verklaringen hielden in, dat de problemen van voorbijgaande aard waren. In de toekomst zouden de sociale wetenschappen even succesvol zijn als haar oudere meer ervaren zusters. Juist daaraan begon ik te twijfelen. Is er, wat dit betreft, met de sociale wetenschappen iets bijzonders aan de hand?

De sociale wetenschappen onderscheiden zich van andere hierdoor, dat het beoefenen ervan zelf behoort tot het eigen gebied van onderzoek. De psycholoog onderzoekt het waarnemen, en neemt daartoe waar. De socioloog bestudeert communicatie, terwijl communiceren een essentieel aspect is van alle wetenschapsbeoefening. De beoefenaren van deze wetenschappen willen leren met betrekking tot het leren, ze proberen het verstaan te verstaan, de taal te vangen in taal, het begrijpen te begrijpen, enz. enz. Een oud beeld voor deze stand van zaken is de slang, die zichzelf probeert te verslinden. Zijn staart krijgt hij te pakken, maar de verslindende muil blijft buiten bereik, voor goed. Het is een oud beeld voor oneindigheid. De taak kent wel een begin, maar het eind is onbereikbaar.

Niet uitgedrukt in een metafoor: het denken wil het denken vatten, maar de gedachte gedachte valt nooit volledig samen met het actuele denken. Steeds weer zal het actuele denken zich kritisch wenden tot de in woorden en andere symbolen verstarde gedachte. Het eigen actuele denken van de onderzoeker behoudt steeds het laatste woord. Dit spontane, niet in zijn kern volledig doorziene denken, geeft zijn laatste geheim niet prijs. Het sociaal-wetenschappelijk onderzoek beweegt zich aan de grens van het wetenschappelijk mogelijke. Het stuit op een grens, die wel wijkt, maar die niet kan worden overschreden. De betrokken wetenschappen staan voor een niet eindigende taak. Verworven kennis opent zich hier steeds weer van binnenuit. Steeds blijft er een kern, die niet volledig is doorzien, die ook niet volledig onder woorden is te brengen. Dit verklaart het gesignaleerde “te kort schieten”, de woekering van theorieën en het feit, dat toepassing van de verworvenheden doorgaans verzandt en vaak meer kwaad doet dan goed.

Ingenieurs, artsen, scheikundigen, enz. passen in geëigende situaties empirisch getoetste procedures, middelen, formules, protocollen, enz. toe en zien terecht met vertrouwen het resultaat tegemoet. Anders ligt dit, als het gaat om het werk van hen, die verantwoordelijkheid op zich hebben genomen met betrekking tot onderwijs, opvoeding en beleid. Hier zonder meer met vertrouwen toepassen van aan de sociale wetenschappen ontleende uitspraken, formules, procedures enz. is wel geprobeerd, maar succes bleek niet bepaald gegarandeerd. Hier vindt men mensen tegenover zich: wetenschappelijk – theoretisch - niet volledig doorziene bronnen van initiatief. Het zonder meer toepassen van empirisch getoetste procedures met gegarandeerd resultaat is hier niet aan de orde. De leraar, de opvoeder, degene, die beleid voert brengt geen getoetste formules of iets dergelijks in het spel, hij zet zichzelf in. Hier slijpt diamant diamant Hier geldt, dat wie wenst te slijpen, ook zelf wordt geslepen, dat de hand, die wast, ook zelf nat wordt.

Betekent dit, dat sociaalwetenschappelijk onderzoek voor onderwijs enz. van geen waarde kan zijn? Het tegendeel is waar. Dergelijk onderzoek kan ongetwijfeld verantwoorde (“waargemaakte”) kennis ter beschikking brengen, die nieuw en relevant is. Hen, die verantwoording op zich hebben genomen voor onderwijs, opvoeding en beleid kan deze tot nadenken stemmen, tot andere gedachten brengen en tot een ander optreden. Dergelijk onderzoek kan niet te veel plaats vinden Nu de mogelijkheden er van gezien worden, is het niet meer dan plicht er ook gebruik van te maken, eventueel met gebruik van de meest geavanceerde methoden, tot de laatste zenuwcel en milliseconde. Echter, het resultaat ervan kan niet het karakter aannemen van een recept, van een voorschrift, dat slechts behoeft te worden opgevolgd, om tot een gewenst resultaat te leiden. In de praktijk van onderwijs, opvoeding en beleid – in concrete situaties – zijn steeds talloze relevante aspecten mede aanwezig, die in de betrokken theoretische uitspraken niet worden gezien, waarvoor de woorden zelfs nog niet zijn gevonden. Vanuit de praktijk gezien brengt sociaalwetenschappelijk onderzoek onvermijdelijk een bepaalde geborneerdheid met zich. Tussen de wetenschappelijke uitspraak en het handelen in de praktijk bestaat een afstand, die overbrugd moet worden. De taak, die hier ligt is die van de zorgende practicus. Als het goed is doet hij zijn best. Waakzaam volgt hij voortdurend het gebeuren. Doorlopend is hij bereid zijn handelen bij te stellen. De mogelijkheid van falen is onvermijdelijk mee gegeven. Van garantie is hier geen sprake. Het is een taak, die men op zich neemt. Ze is principieel niet wetenschappelijk van aard en kan niet vanuit een zuiver wetenschappelijke houding worden overgenomen. Ze mag dan ook niet als wetenschappelijk worden voorgesteld. Wetenschappelijk onderzoek vervult hier zijn taak goed, wanneer het af en toe uitspraken ter beschikking brengt, die waar, nieuw en relevant zijn. Al het overige is geen wetenschap en moet ook niet als zodanig worden opgediend. Bij de toewending vanuit de sociale wetenschappen naar de praktijk van onderwijs, opvoeding en beleid dient een gepaste bescheidenheid en terughoudendheid in acht te worden genomen. Verliest men dit uit het oog, dan dreigt meer kwaad te worden gedaan dan goed. Een stoet van verzande “projecten”en vernieuwingspogingen en getuigt hiervan.

Indertijd heb ik getracht deze gedachten duidelijk te verwoorden. In vruchtbare aarde viel dit niet. Het werd mij niet in dank afgenomen. Mijn promotie heb ik indertijd beleefd als een openbare terechtstelling. Toen de tijd er voor gekomen was, liet ik de sociale wetenschappen daarom voor wat ze waren. Wanneer de wal het schip moet keren, is het niet zo verstandig er dwars voor te gaan liggen, om het van koers te doen veranderen. Overigens, dit is nu een dertigtal jaren geleden. Wanneer ik het goed zie, dan heeft intussen de wal het schip gekeerd.

De problemen met betrekking tot onderwijs en opvoeding lijken op het ogenblik tot grote hoogte gestegen. Men zit in zak en as. Indertijd verwachtte men oplossingen van de zijde van de sociale wetenschappen en van de onderwijsresearch. Blijkbaar is dit nu veel minder het geval. Na een halve eeuw onderwijsvernieuwing, geïnspireerd en begeleid vanuit de sociale wetenschappen, leeft het gevoel, dat men hopeloos is vastgelopen. Heil wordt nu blijkbaar verwacht van “management”. Op zijn beurt schijnt dit als een wetenschappelijke activiteit te worden gepresenteerd. Lucratief schijnt het wel te zijn.

De wal heeft inderdaad het schip gekeerd. Helaas, het is niet uitgelopen op een weloverwogen bewuste koerswijziging. Eerder moet gesproken worden van domme “trial and error”. De vruchtbare dialoog tussen wetenschappelijk onderzoek en praktijk - waarbij beide partijen de eigen mogelijkheden en grenzen kennen en respecteren - waarop ik gehoopt en waaraan ik gewerkt heb - kwam (nog) niet tot stand.

Intussen bleef ik met plezier als vrijetijdbesteding wel zoeken naar de mens achter de waarneembare sporen, die hij achterlaat. Zo vond ik het traject voor een aquaduct, dat de Romeinse legerplaats bij Nijmegen van water zou voorzien. Ook zocht ik naar de Tempelridders achter de weinige sporen, die in ons land van hen nog te vinden zijn. Deze website is van dit laatste het onvoltooide resultaat.

Beek bij Nijmegen, September, 2008.

Ben Brus



 

             Verder                   Terug                     Home