Sporen van de Tempelieren in Nederland - http://www.tempelieren.nl - © Ben Brus 2003-2012
Het tragisch Einde
Rond
1300: tegenslag en ontmoediging.
Aan het eind van de dertiende
eeuw was de situatie met betrekking tot de kruisvaart - zowel in
militair opzicht als wat de algemene geestesgesteldheid betrof -
dramatisch veranderd.
In 1291 was Akko gevallen. De overige
steunpunten in het Heilig-Land waren daarna niet meer te handhaven.
Het koninkrijk Jeruzalem hield op te bestaan. De tempelridders
trokken zich terug op Cyprus, de ridders van Sint-Jan op Rhodos. Men
was terug bij af. Alle inspanning leek tevergeefs te zijn
geweest.
Het enthousiasme van rond 1100 had plaats gemaakt
voor twijfel en verwarring, voor moedeloosheid en defaitisme. Is het
wel Gods wil, dat de Heilige Plaatsen veroverd worden, wanneer Hij
toestaat, dat Jeruzalem ondanks alle inspanning toch verloren gaat?
Is vechten en doden wel in overeenstemming met de grondgedachte van
het christendom? Dient de linker wang niet geboden, als de rechter
wordt geslagen? Kan monnik-zijn en soldaat-zijn wel samen gaan?
Dient, in plaats van het christendom te verdedigen met het zwaard,
het geloof niet verspreid te worden met het woord? Werd de idee
kruistocht niet bezoedeld door het misbruik, dat paus en vorsten er
van maakten bij het beslechten van onderlinge geschillen? Of:......
waarom geld, goed en bloed verspillen aan een vergeefse strijd in een
ver land, terwijl het leven hier en nu zo goed kan zijn?
De Tempelorde mikpunt voor de kritiek.
De onvrede richtte zich met name op de ridderorden. Vooral de Tempel werd mikpunt van de kritiek. Ze werd de zondebok bij uitstek. Van ouds geuite verwijten klonken nu luider. De Tempelridders waren trots, arrogant, hebzuchtig en wreed. Ze waren niet betrouwbaar, ze heulden met de vijand. De eindeloze stroom van mannen, goederen en geld naar het Oosten werd door hen verspild aan nutteloze zaken. Wat eigen land en volk toe kwam werd er aan onttrokken, ter wille van ridderlijk prestige en onderlinge wedijver. Het bestaan van de orden betekende een permanente financiële aderlating van het Westen. Rivaliteit tussen de twee grote orden was de oorzaak van de militaire nederlaag. Samensmelting van de orden was reeds in 1274 door Lodewijk IX aan de orde gesteld. Nu werd het van allerlei kanten als een noodzakelijke voorwaarde gezien voor een succesvolle hervatting van de strijd. Enz. enz..
Geheel zonder grond waren deze bedenkingen overigens niet. De kosten
aan mensenlevens, geld en materiaal waren inderdaad zeer hoog. Men
heeft bijvoorbeeld berekend, dat rond 1260 de kosten voor het
operationeel houden van een enkele ridder gelijk stonden aan de
opbrengst van 1500 hectare bouwland. In Frankrijk was twee miljoen
hectare onttrokken aan de belasting en aan het tiendrecht. Ook de
klachten over wangedrag van Tempelieren waren vaak gegrond. Grote
verliezen op de slagvelden leidden er toe, dat rekruten werden
opgenomen die niet aan te stellen eisen voldeden. De strakke
discipline, die in de orde werd gehandhaafd, bleek onvoldoende om het
nodige tegenwicht te bieden. De ordeleden, die na de verdrijving uit
het Oosten naar Europa uitweken, wekten daar door hun arrogante en
agressieve optreden vaak grote ergernis
Uitgesproken
bestrijders van de Tempelorde vond men onder de machtigen van die
dagen: de geestelijken en de vorsten. Het idealisme van de twaalfde
eeuw had in de veertiende plaats gemaakt voor berekening en
gerichtheid op eigen belang. Beide groepen waren naijverig. Ze
voelden zich benadeeld. Door de pauselijke privileges waren de
ridderorden onttrokken aan hun rechtsmacht. Men voelde zich daardoor
in zijn macht en invloed beknot. Men zag zich geconfronteerd met
tegenspelers, die over grote materiële en militaire
mogelijkheden beschikten, uitstekend geïnformeerd waren en
volstrekt autonoom konden optreden. Daarbij kwam nog, dat de
geestelijke en wereldlijke machthebbers met lede ogen moesten
aanzien, hoe veel bezittingen en inkomsten, die naar hun mening aan
hen toekwamen, hun ontnomen waren, resp. wegvloeiden naar verre
landen. Hun jaloersheid is begrijpelijk. Ze was ook al van oude
datum. Echter, door de gewijzigde situatie en de veranderde tijdgeest
nam ze rond 1300 destructieve vormen aan.
Philips IV van Frankrijk.
Hoofdrolspeler hierbij was de
Franse koning, Philips IV ( Philips de Schone ).
Zowel de paus
als Philips streefde naar een hervatting van de strijd in het Oosten.
Philips had daarbij zijn eigen ideeën. Hij droomde van een groot
Frankrijk, dat heel het oostelijke Middellandse-Zeegebied omvatte,
inclusief Palestina en het Oost-Romeinse Rijk, een wereldrijk, waar
hij aan het hoofd zou staan als “de verdediger van het
Christelijk geloof”. Een enkel groot leger van kruisvaarders
onder Frans commando was voorwaarde. De twee grote autonome
ridderorden onder pauselijk gezag waren daarbij een sta in de weg.
Een samensmelting van de twee tot èèn strijdmacht,
geplaatst onder zijn bevel, of ten minste onder bevel van een Franse
prins, zou de oplossing zijn.
Dit zou bovendien een oplossing
bieden voor een ander probleem dat Philips kwelde. Als gevolg van de
vele oorlogen die hij voerde, ging hij gebukt onder chronisch
geldgebrek. De belastingen waren tot het uiterste opgeschroefd. Met
het zilvergehalte van de munt had hij al geknoeid. Minderheden, zoals
de Joden en de Lombarden, waren door hem uitgeschud en daarna
verbannen. De uitgebreide bezittingen van de Tempelorde zouden goed
van pas komen. Zodra de ridderorden onder Frans beheer zouden zijn
gebracht, zou dit probleem vanzelf verdwijnen. Het doel was gegeven.
Welke weg zou leiden naar dit doel?
De legisten.
Een welkome rechtvaardiging voor een
optreden van Philips boden nieuwe ideeën met betrekking tot het
vorstelijk gezag die in die dagen aan het Franse hof opgeld deden.
Rechtsgeleerden ( legisten genaamd ) gingen te rade bij geschriften
over het Romeins recht uit de tijd van keizer Justinianus. Hierin
werd de keizer beschreven als absoluut heerser, met een goddelijke
status. Volgens de legisten was het gezag van de koning rechtstreeks
door God gegeven. De vorst was aan niemand verantwoording schuldig. (
”De wil van de vorst is wet”. “De vorst staat boven
de wet”.) De koning diende ook te waken over de goddelijke
aangelegenheden in deze wereld. Wanneer deze bedreigd werden diende
hij in te grijpen, volkomen op eigen gezag. Deze opvatting van
autoriteit stond recht tegenover de tot dan toe heersende
middeleeuwse zienswijze, volgens welke alle gezagsuitoefening een
plicht tot gehoorzaamheid insluit. ( Met de leenhulde aanvaardt de
leenheer een plicht ten opzichte van de leenman. “De overste
gehoorzaamt het klooster”. Enz. )
De nieuwe opvatting gaf
voedsel aan de voor de middeleeuwen zo karakteristieke strijd om de
macht tussen paus en vorst. In de “investituurstrijd” had
de Duitse keizer indertijd in de paus zijn meerdere moeten erkennen.
Nu was de Franse koning aan slag. De alleen aan de paus
ondergeschikte Orde van de Tempel werd inzet.
Een eerste
krachtmeting.
De volgende gebeurtenissen typeren het
klimaat.
Het jaar 1300 werd door paus Bonifatius VIII uitgeroepen
tot jubeljaar. Allen, die de Sint-Pieter in Rome bezochten en hun
zonden beleden, werd volledige vergiffenis van zonden toegezegd.
200.000 pelgrims stroomden toe. De paus verscheen triomferend voor
de menigte in de Sint-Pieter, gezeten op de troon van Constantijn,
gedecoreerd met zwaard, kroon en scepter, uitroepend: “Ik ben
Caesar”.Hij stelde daarmee het pauselijk gezag uitdrukkelijk
boven dat van de wereldlijke vorsten.
Dit moest onvermijdelijk
leiden tot een krachtmeting tussen koning en paus.
De paus had
bepaald, dat vorsten alleen met zijn toestemming aan de clerus
belastingen mochten opleggen. Philips, met zijn niet te stillen
behoefte aan geld, stoorde zich hier niet aan. De statenvergadering
van geestelijkheid en adel in Parijs steunde hem hierin, door uit te
spreken, dat zij zich in wereldlijke zaken alleen onderworpen achtte
aan God en de koning. De paus reageerde o.a. met de bulle “
Unam sanctam”, waarin hij schreef: “Ter verwerving van
de zaligheid is het noodzakelijk, dat ieder menselijk schepsel zich
onderwerpt aan de opperpriester van Rome”.
Toen Philips
geen blijk gaf zich te schikken naar de pauselijke beslissing,
bereidde Bonifatius zijn excommunicatie voor. Zover kwam het echter
niet. Een “afvaardiging” van Philips bezocht de paus in
zijn verblijfplaats Anagnie en nam de twee-en-tachtig-jarige
grijsaard gevangen. Het was de bedoeling van Philips hem voor een
concilie te slepen onder de beschuldiging van simonie en ketterij.
Echter, na twee dagen werd de paus, met medewerking van enkele
Tempeliers, door de bevolking van Anagnie bevrijd. Kort daarop
overleed Bonifatius. De zodoende niet uitgevochten machtsstrijd
bleef de koning in hoge mate irriteren. De Tempelridders waren in
dit geval overigens nog maar zijdelings bij het conflict
betrokken.
In 1305 werd een Franse prelaat tot paus ( Clemens
V ) gekozen. Deze streefde er naar met Philips op goede voet te
komen. Hij benoemde bijvoorbeeld een groot aantal Fransgezinde
kardinalen en kwam ook verder opvallend gemakkelijk aan wensen van
de koning tegemoet. Zijn verlangen medewerking van de koning te
verkrijgen voor een nieuwe kruistocht, speelde daarbij
waarschijnlijk een grote rol. De paus wist Philips inderdaad te
bewegen tot een gelofte tot kruisvaart. Philips van zijn kant drong
aan op samensmelting van de twee grote ridderorden.
Door de gang
van zaken was Philips’ positie intussen versterkt. De tijd was
rijp voor een volgende actie. Dit keer bevonden de Tempelridders
zich wel in het “epicentrum”.
Arrestatie van de Tempelieren.
Rond 1305 doken in Parijs
geruchten op over ernstige misstanden in de Tempelorde. Vreemde en
beschamende zaken werden rondverteld. Het koninklijk hof haastte zich
hiervan een dossier aan te leggen. Rechtens kwam de behandeling van
dergelijke aangelegenheden toe aan de paus. De Tempelorde voelde zich
door de geruchten in haar goede naam aangetast. Ze verzocht de paus
een onderzoek in te stellen, hopend daarbij van alle blaam gezuiverd
te worden. Eind augustus 1307 kondigde Clemens een voornemen daartoe
aan. Hij vroeg de koning om medewerking daarbij. Om
gezondheidsredenen stelde hij de uitvoering`van het onderzoek enkele
weken uit. Philips greep dit uitstel aan om zelf initiatief te nemen.
Via verzegelde brieven, gedateerd 14 september 1307, droeg hij aan
alle baljuws en seneschalken in zijn gebied op, op 13 oktober alle in
hun rayon aanwezige leden van de Tempelorde gevangen te nemen.
Tegelijk moesten de bezittingen van de Orde in beslag worden genomen
en in koninklijke bewaring gesteld. De koning beschreef in zijn brief
uitvoerig, hoe hij met afschuw vervuld was door betrouwbare
berichten, dat de Tempelorde in feite een geheime ketterse
organisatie was, die zich bezig hield met de verbreiding van
schandelijke, godslasterlijke en ontuchtige praktijken. De
gearresteerden moesten daarom ter beschikking gesteld worden van de
bisschoppelijke inquisitie. (Frederico, II, nr.33, pg.52-59.)
Foltering.
De koning had een en ander goed voorbereid. De
grootinquisiteur van Frankrijk - een goede bekende van Philips - was
bereid gevonden de nodige regelingen te treffen. Instructies zowel
voor de inquisiteurs als voor de aan Philips ondergeschikte
gerechtsdienaren lagen klaar. Volgens het geldend recht kwam bij het
volgend onderzoek de leiding toe aan de kerkelijke inquisiteurs.
Staatsdienaren dienden hen slechts op hun aanwijzingen behulpzaam te
zijn. In dit geval beval Philips zijn mannen echter, de gevangenen op
hun ondervraging door de inquisiteurs voor te bereiden. Exemplaren
van zijn instructie hiervoor bleven bewaard. Gezien de ernst van de
verdenkingen moesten de gearresteerden onmiddellijk van elkaar
gescheiden en streng ondervraagd worden. Hun moest worden meegedeeld
van welke ketterse misdaden zij beschuldigd werden. Vermeld moest
worden, dat aan de autoriteiten reeds bekend was, dat deze
beschuldigingen op waarheid berustten en dat de hoogste gezagsdragers
in de orde al hadden bekend. Ontkenning had daarom geen enkele zin.
Werd berouwvol schuld bekend, dan volgde vergiffenis en vrijlating.
Bij hardnekkige ontkenning dienden de folterwerktuigen getoond te
worden. Volgde ook dan geen bekentenis, dan moest foltering worden
toegepast. Dit moest worden voortgezet, tot een bekentenis werd
verkregen. Daarna diende de gevangene aan de inquisiteurs te worden
voorgeleid. De bedoeling was, dat de bekentenis daar werd herhaald,
schriftelijk werd vastgelegd en ondertekend. De ondertekende
bekentenissen – en alleen deze - moesten onmiddellijk aan de
koning worden doorgezonden.
Bekentenissen verkregen onder bedreiging of via foltering waren tot voor kort in de rechtspraak niet rechtsgeldig. Evenwel, bij de meedogenloze strijd tegen de Albigenzen was in de 13de eeuw in Frankrijk foltering ingevoerd. Om ketters tot bekentenis te brengen werd folteren geoorloofd geacht. Beter kortstondig pijn in dit aardse leven, dan eeuwige pijn in het hiernamaals! Wie eenmaal ernstige verdenking van ketterij op zich had geladen, kon onbeperkt gevangen worden gehouden en worden gefolterd. Wie berouwvol bekende, werd een straf opgelegd en vergiffenis geschonken. Hij redde zo zijn leven. Wie zijn bekentenis later herriep, werd veroordeeld als “relapse”, dit is: als “teruggevallen in de ketterij”. Hem wachtte zondermeer de brandstapel. De gearresteerde Tempeliers werden “ernstig verdacht”. Ze zaten bijgevolg in de val. Ze konden geen kant meer op.
Philips’ operatie verliep naar wens. In Frankrijk werden ongeveer twee duizend ordeleden gearresteerd. Reeds op 19 october werd met de verhoren een begin gemaakt. Na bewerkt te zijn door de koninklijke gevangenbewaarders werden de broeders overgedragen aan de inquisiteurs. De gewenste bekentenissen van afgoderij, godslastering, sodomie, enz. - volgens de toen gebruikelijke terminologie samengevat onder het begrip “ketterij” - kwamen snel, getekend en wel, ter beschikking. Ook vooraanstaande leden van de orde - waaronder de grootmeester Jacques van Molay, die op verzoek van de paus in Frankrijk verbleef - legden bekentenissen af. Slechts vier ordeleden bleven standvastig alle schuld ontkennen. Intussen lieten ten minste vijf en twintig Tempelieren in de kerkers het leven. Vele anderen bleven voor het leven verminkt.
Men kan er zich over verbazen, dat zo zelfbewuste en in de strijd geharde militairen zich gewillig zonder verzet lieten oppakken en in zo korte tijd en zo massaal voor foltering zwichtten. Men dient daarbij het volgende voor ogen te houden:
1 Hun regel verbood de Tempelieren een wapen op te nemen tegen een christen. Wapens waren in de tempelhuizen in het Westen dan ook nauwelijks of niet aanwezig. Op het doden van een christen stond uitstoting uit de orde als straf. Trouw aan de regel was voor een Tempelier een hoog goed. Verzet tegen de arrestatie was dus in principe uitgesloten. Overigens, tempelridders in Spanje en Duitsland, die wat later in moeilijkheden kwamen en daardoor beter waren ingelicht, hebben zich wel degelijk tegen hun arrestatie verzet.
2. Wijken en op de vlucht slaan werd als onridderlijk beschouwd.
3. Van het verrassingselement werd bij de arrestatie blijkbaar bekwaam gebruik gemaakt, met als gevolg: verwarring en ontreddering bij de slachtoffers.
4. De folteringen werden “vakkundig “ uitgevoerd. Bij de verhoren verklaarden sommige Tempelieren, dat ze bereid waren hun leven te geven ter verdediging van de Orde, maar dat ze na langdurige foltering niet voor zichzelf konden instaan. Voor een pauselijke commissie verklaarde de preceptor van Payns achteraf, dat gevangenen, nadat 36 van hen op de pijnank waren gestorven, onderling maar hadden afgesproken te bekennen.
5. De Orde was gericht op praktisch doelgericht handelen. De intellectuele ontwikkeling van de leden stond minder op de voorgrond. Het ontbrak de Orde daardoor aan voldoende theologisch en juridisch geschoolde leden. Aan de ondervragers kon maar zwak tegenspel worden geboden. Met juridische spitsvondigheden konden de arrestanten gemakkelijk in verwarring worden gebracht.
6. Ridders en strijdende broedersergeants waren onder de arrestanten in de minderheid. Gevechtsbekwame mannen verbleven, zoals gebruikelijk, in meerderheid in het Oosten. De bekentenissen stamden overwegend van oudgedienden, beheerders, administrateurs, kapelaans, herders, smeden, stalknechten, enz.
7. Waarschijnlijk werden met name de hogere functionarissen uit de orde door een voorgewende vriendelijk-behulpzame benadering van de kant van hun ondervragers er toe gebracht, in argeloze oprechtheid een bekentenis af te leggen over een in hun ogen weinig belangrijk aspect van het initiatieritueel. - Naar verluidt sprak de grootmeester Jaques de Molay nog op de brandstapel over vleierij van paus en koning. - Door de inquisiteurs werden deze bekentenissen met betrekking tot op zich laakbare gebruiken achteraf uitvergroot tot een bewijs voor grove ketterij. Een ketter, die achteraf zijn bekentenis herriep, was volgens de regels van de inquisitie alleen daarom al de dood schuldig. Als de gang van zaken inderdaad zo is geweest, dan zijn de leidinggevenden van de Orde in een val gelokt. Hun bleef geen andere mogelijkheid dan of berouwvol blijven bij een bekentenis van ernstige ketterij, of ......voortgezette foltering en uiteindelijk de brandstapel.
8. De mannen van Philips wisten in korte tijd de hoogste gezagsdragers in de orde getekende bekentenissen af te persen. Leden van lagere rang werden bij hun verhoor hier mee geconfronteerd. Dit moet hen – ze waren aan zeer strakke gezagsverhoudingen gewend – geheel van hun stuk hebben gebracht.
9. Vooral te houding van de grootmeester van de Orde heeft bijgedragen tot de onzekerheid van de gevangenen. Veelal wordt aangenomen, dat hij niet werd gefolterd, hoewel er ook vermoedens zijn van extreme tortuur. ( Havemann: pg.342.). Hij heeft in ieder geval binnen enkele dagen een bekentenis afgelegd, deze getekend en voor een groot publiek herhaald. Hij schreef ook een brief, waarin hij als hoogste gezag in de orde de leden opdroeg zijn voorbeeld te volgen en schuld te bekennen. Deze brief werd alle gevangenen onder ogen gebracht. Later heeft hij deze bekentenis herroepen en de broeders opnieuw bevolen zijn voorbeeld te volgen. In de loop van het proces heeft de grootmeester zich steeds aarzelend opgesteld en nooit getracht resoluut leiding te geven aan het verzet van zijn in benauwenis verkerende ondergeschikten. Deze houding van Molay heeft de eeuwen door verbazing gewekt. Een algemeen aanvaarde verklaring ervoor is er niet. Was het inderdaad lafheid? Was hij overweldigd? Was een geestelijke inzinking in het spel? Was het goedmoedige naïviteit? Werd hij in een val gelokt? Meende hij hoog spel te kunnen spelen en is hem dat niet gelukt? Werden hem valselijk woorden in de mond gelegd? Jacques de Molay heeft steeds gerekend op tussenkomst van het enige gezag, dat hij erkende: de paus. Tevergeefs: na zijn arrestatie heeft hij Clemens nooit meer gezien. Pas in het zicht van de brandstapel toonde de grootmeester de allure, die paste bij zijn positie.
De eerste reacties.
Philips haastte zich aan zijn actie en
aan de verkregen bekentenissen grote ruchtbaarheid te geven. In een
plechtige vergadering, uitgerekend in het huis van de Tempel in
Parijs, herhaalde Jacques van Molay in het openbaar voor een groot
gehoor van geestelijken, geleerden en edellieden zijn bekentenis.
Verslagen van de verhoren werden door de koning in ijltempo ruim
verspreid. Zo zond hij ze binnen veertien dagen toe aan de vorsten
van andere landen met de aanbeveling zijn voorbeeld te volgen.
De reacties hierop waren sterk afhankelijk van de houding ten opzichte van het Franse hof en de Tempelorde. Een aantal van de antwoorden aan de Franse koning bleven bewaard. Ze werden gepubliceerd door Schwalm ( pg.632-635.) De volgende doen hier ter zake:

Guy
van Avesnes. Bisschop van Utrecht zegde 17 december toe, dat hij
aan de oproep gevolg zal geven zodra Tempelieren zijn gebied
betreden. Huizen van de orde zijn in zijn gebied niet aanwezig

Jan
II, hertog van Brabant deelde 9 november mee ( Zie: Frederico,
II, Nr.43, pg 59-60.) dat hij alle in zijn hertogdom woonachtige
Tempelieren had laten gevangen nemen en hun bezittingen in beslag had
genomen. Deze dienstvaardige houding hing samen met het aanzienlijke
bedrag, dat de koning hem en andere vasallen van het Duitse Rijk op
de grens van dit Rijk jaarlijks toestopte.
In Vlaanderen , ook in Zeeuws-Vlaanderen ,werd op een onbekende datum gearresteerd en geconfisceerd.

Hendrik
van Virneburg, aartsbisschop van Keulen, zegde, zij het op een
formele toon, zijn medewerking toe.
Theobald bischop van Luik – Brabant behoorde tot zij diocees – toonde zich minder gedienstig. Pas op 29 januari reageerde hij. Hij verontchuldigde zich. Hij had de brief eerst nu ontvangen en tempelieren hadden in zijn diocees maar weinig bezittingen

.
Rooms-koning Albertus toonde zich het minst tot medewerking bereid. Hij antwoordde, dat hij pas maatregelen zou nemen, wanneer de paus daartoe opdracht gaf.
De paus toonde zich diep gegriefd. Philips had hem, zonder
hem in de zaak te kennen, voor een voldongen feit geplaatst. Hij had
bij geruchte - bij wijze van spreken “van de straat” –
moeten vernemen, wat er gebeurd was, terwijl de koning het naar
buiten deed voorkomen, dat de actie in nauw overleg tussen hem en de
paus was ondernomen.
Clemens was te zeer onder de indruk van de bekentenissen, om de ontwikkeling ongedaan te maken. Zijn streven was er op gericht de koning het initiatief uit handen te nemen. Op 22 november 1307 verklaarde hij de verdenkingen tegen de Tempelorde gegrond. Hij droeg alle Christenvorsten op in hun rijk de Tempelieren te arresteren en hun goederen in bewaring te nemen. De koning op zijn beurt was er van overtuigd, dat door de verhoren de schuld van de Tempelorde bewezen was, en dat tot bestraffing moest worden overgegaan. Hij zette Clemens op allerlei manieren onder druk. Hij drong er bij hem op aan, dat ook in het buitenland bij de verhoren foltering zou worden toegepast. Dit stuitte daar op grote weerstand. Philips bleef aandringen.
Naar de zienswijze van de paus waren de onder Philips regie uitgevoerde ondervragingen onwettig. Staatsorganen bepaalden er de gang van zaken op een gebied, waar slechts de kerk diende te beslissen . Kerkelijke inquisiteurs verleenden hieraan medewerking. Om aan dit onaanvaardbare gebeuren een halt toe te roepen ontnam Clemens in januari 1308 de Franse bisschoppen en inquisiteurs het recht om zich te mengen in de zaak van de Tempelorde. Dit betekende, dat de voortgang van het proces stagneerde. Er ontstond een impasse, tot grote woede van Philips en zijn medestanders. Zij bestreden het recht van de paus om in te grijpen. De koning hield de Franse Tempeliers in zijn gevangenissen in zijn macht en hield de bezittingen onder zijn controle. Een ongekende propaganda-actie werd ontketend om Clemens nog meer onder druk te zetten.
Vondst van verloren-geachte documenten.
Met betrekking tot de verdere gang van zaken hadden tot voor kort bepaalde opvattingen breed post gevat. Algemeen werd aangenomen, dat de Fransgezinde paus Clemens V slechts weinig tegenspel bood aan Philips’ machinaties. Men zag hem als een zwakke figuur, op wie voor een belangrijk deel mede de schuld rustte voor het dramatisch einde van de Tempelorde. Voorts bleef de vraag onbeantwoord in hoeverre de Tempelorde zelf door innerlijk bederf had bijgedragen aan de eigen ondergang.
Nu werden in 2001 door Dr. Barbara Frale - historica en medewerkster aan het Instituut voor Paleografie van het Vaticaan - in een geheim Vaticaans archief tot dan toe onopgemerkte documenten met betrekking tot het proces tegen de Tempelorde gevonden. (Een samenvatting geeft: http://osmth.de/Chinon_Pergament.html ) Deze geschriften werpen nieuw licht op de gang van zaken. Ze bevatten bijvoorbeeld een verslag van een getuigenis, dat Jacques van Molay, de grootmeester van de Orde, aflegde ten overstaan van vertegenwoordigers van de paus. Ze nopen tot enige herziening van gangbare opvattingen. In het onderstaande is hiermee naar vermogen rekening gehouden
De bekentenissen ongeldig verklaard.
Om uit de impasse te geraken vond uitvoerig overleg plaats. De paus bleef er op staan, dat verdere verhoren onder zijn verantwoording dienden plaats te vinden en dat de gevangenen aan kerkelijke instanties moesten worden overgedragen. Philips weigerde. Als compromis stond hij toe, dat een door hem geselecteerde groep geketende gevangenen te Poitiers – de tijdelijke residentie van Clemens - aan de curie en de paus werd voorgeleid. Clemens constateerde daarbij al snel, dat de voorgaande verhoren in allerlei opzichten niet aan formeel-juridische eisen voldeden en dat de onder pressie verkregen bekentenissen niet de werkelijke opvatting van de ondervraagden weergaven. Hij verklaarde daarop de bekentenissen voor ongeldig. Hij stond er op, dat de grootmeester en andere hooggeplaatsten uit de Orde door hem persoonlijk gehoord zouden worden. Philips wilde deze ontmoeting met de paus tegen elke prijs voorkomen. Hij liet de betrokkenen gevangen zetten in de kerkers van de burcht Chinon, en beriep zich op uitvluchten zoals: de beklaagden zijn te ziek of anderszins niet in staat om te reizen. Clemens liet zich niet uit het veld slaan. Hij zond een delegatie van drie kardinalen, die hij volledig vertrouwde, om namens hem de betrokkenen te verhoren. Verslagen hiervan bleven in de bovengenoemde “Chinon-perkamenten” bewaard.
Het getuigenis van de grootmeester
Toen hem door de pauselijke delegatie daarnaar gevraagd werd, antwoordde Jacques van Molay, dat bij zijn opname in de Orde de praeceptor hem had bevolen op een kruisbeeld te spuwen en God te loochenen. Voldeed hij niet aan het bevel, dan dreigden strenge kerkerstraffen. Hij had daarop Christus geloochend met zijn mond, maar niet met zijn hart, en hij had naast het kruis op de grond gespuugd. Deze gang van zaken was in de Orde bij de inauguratie van nieuwe leden algemeen gebruik. Over sodomie, obsceniteiten, het aanbidden van afgodsbeeldjes en andere wandaden, waarvan de Orde werd beschuldigd, was hem niets bekend.
Op de vraag of de verloocheningen gemeend waren en met welke bedoeling een en ander werd gedaan, antwoordde de grootmeester in de volgende geest: Het geheel was niet echt gemeend, het was een spel. De novice wist dit niet. Het was bedoeld om na te gaan of hij werkelijk bereid was tot onvoorwaardelijke blinde gehoorzaamheid. Tevens kon hij er uit leren, hoe hij zich had te gedragen, wanneer hij - ooit in krijgsgevangenschap geraakt - zwaar onder druk zou worden gezet. Hij kon dan Christus verloochenen met zijn mond en hem tegelijk trouw blijven met zijn hart.
De verklaringen van de andere hoogwaardigheidsbekleders stemden overeen met die van de grootmeester.
De paus heeft er zich van vergewist of deze gebruiken ook schriftelijk waren vastgelegd in de regels. Dit bleek het geval. De betrokken tekst werd in de orde echter strikt geheim gehouden en was alleen beschikbaar voor de hoogsten in rang.
De reactie van de paus
Clemens verklaarde zich zeer ontdaan over wat hem ter kennis werd gebracht. Aan volstrekt ontoelaatbare wrede, verwarring veroorzakende militaire ontgroeningsrituelen bleek als gehoorzaamheidstoets een centrale plaats te zijn toegekend in een organisatie, die geheel en uitsluitend aan hem was toevertrouwd. Erkenning van de fout door de verantwoordelijken, herziening van de regel en het breken met de traditie achtte hij strikt geboden.
Daar stond tegenover, dat de paus besefte, dat van werkelijke ontrouw aan Christus en de kerk geen sprake was, laat staan, dat een beschuldiging van ketterij op zijn plaats zou zijn. In de betrokken stukken laat hij uitdrukkelijk vastleggen: “....... en, omdat zij voor hun schanddaden nederig van de Kerk vergeving en absolutie hebben gevraagd, bepalen wij, dat zij ( de grootmeester Jacques van Molay samen met alle leden van de ridderorde ) vrijgesproken en weer in de gemeenschap van de Kerk worden opgenomen, zodat zij de heilige sacramenten ontvangen kunnen.”
Deze uitspraak werd niet openbaar gemaakt
Dit eindoordeel van de paus werd in 1308 uitdrukkelijk schriftelijk vastgelegd, maar het betrokken document bleef rusten in de verborgenheid van de pauselijke kanselarij. Van publicatie werd afgezien, kennelijk om erger te voorkomen.
In 2007 werden door het Vaticaan ter gelegenheid van de zevenhonderdjarige herdenking van de arrestatie van de Tempeliers de genoemde “Chinon-perkamenten” in een luxe facsimile uitgave gepubliceerd. Hiermee erkende Rome uitdrukkelijk, dat de Tempelorde vrij was van ketterij, en dat dit reeds in 1308 door Paus Clemens V was uitgesproken.
Clemens’ positie was in die dagen uiterst precair geworden. Ze liet hem weinig of geen speelruimte. De gevangenen waren nog steeds in handen van de koning, evenals veel bezittingen van de Orde. Philips verhoogde steeds de druk. Er was zijn al oude dreiging met een proces tegen Bonifatius VIII, Clemens’ voorganger. Maar de aanvallen werden nu ook op Clemens persoonlijk gericht. Er werd gewerkt met pamfletten, toespraken en massavergaderingen. De omgeving van de koning beschuldigde de paus van nepotisme, omkoopbaarheid, toverij, ketterij, samenspannen met de duivel, enz. Gedreigd werd, de paus zelf voor de inquisitie te slepen. Wanneer Clemens de vervolging van de Tempeliers niet krachtig ter hand zou nemen, zou hij medeplichtig zijn aan ketterij en bijgevolg ook zelf een ketter zijn. In dat geval zou de koning, als rechtstreeks door God gemachtigde ”Verdediger van de Kerk” en als “Allerchristelijkste Vorst”, zelf er voor moeten zorgen, dat het recht zijn loop zou nemen. De universiteit van Parijs en de Statenvergadering werden in de strijd betrokken. Gezien de onrust,die de geruchten rond de Tempelorde hadden veroorzaakt en de steun waarop Philips van vele kanten, en met name van de zijde van de Franse geestelijkheid, kon rekenen, was een schisma verre van denkbeeldig. De situatie was dreigend. Kennelijk ervoer Clemens zijn bewegingsruimte als te beperkt, om zijn mening ten aanzien van de Tempelorde door te kunnen zetten.
Een compromis
In de vroege zomer van 1308 vond grootscheeps overleg plaats. Paus, koning, curie, het koninklijk hof en de Staten van Frankrijk waren erbij betrokken. De onderhandelingen eindigden in een compromis dat werd vastgelegd in een groot aantal pauselijke bullen, alle gedateerd op 12 augustus 1308. De inhoud kwam globaal neer op het volgende:
- De gevangen Tempelieren worden overgedragen aan de paus.
- De eigendommen van de Tempel blijven beschikbaar voor de strijd in het Heilig.Land.
- Onderzoek van individuele ordeleden zal in ieder bisdom plaats vinden door een commissie, benoemd door de paus, voorgezeten door de bisschop en verder bestaande uit kerkelijke functionarissen. Het oordeel over de beschuldigden wordt uitgesproken door een synode van het betrokken bisdom. Deze regeling hield in, dat de Franse bisschoppen hersteld werden in hun recht om in inquisitieaangelegenheden op te treden.
- Het oordeel over de Orde als zodanig en over de hoogste functionarissen houdt de paus aan zich. Het betrokken onderzoek wordt in ieder land afzonderlijk uitgevoerd door een pauselijke commissie. Het uiteindelijk oordeel wordt uitgesproken door een algemeen concilie op grond van de rapporten van de pauselijke commissies. Dit algemene concilie wordt in de betrokken bullen aangekondigd. Het zal te zijner tijd bijeen komen in Vienne. Het oordeel over de hoogste functionarissen van de Orde behoudt de paus zichzelf eveneens voor.
- Een inquisitieonderzoek naar paus Bonifatius VIII wordt niet in gang gezet. Zijn stoffelijk overschot wordt niet opgegraven en niet achteraf nog, als dat van een ketter, verbrand.
Ogenschijnlijk heeft Clemens hier zijn ideeën volledig weten door te zetten. De feitelijke gang van zaken was echter een andere:
- Overdracht van de gevangenen aan de paus vond slechts plaats in formele zin. In feite bleven de Franse tempelieren in de kerkers en daarmee in de macht van Philips.
- Het beheer van de in beslag genomen goederen bleef praktisch in handen van koninklijke beambten. Ze stonden voortaan onder koninklijke bescherming!
- Plannen tot benoeming van leden van de bisschoppelijke en pauselijke commissies werden “ter advisering” voorgelegd aan Philips. ( Finke, pg. 233 en 234.) Aan commissies in het “buitenland” werden twee Franse prelaten toegevoegd. De instructies voor de bisschoppelijke commissies kwamen sterk overeen met de instructies, die Philips indertijd voor zijn gerechtsdienaren had geformuleerd. Bekende de beklaagde geen schuld, dan was ook hier foltering voorgeschreven, overigens met dit verschil, dat extreme vormen van tortuur vermeden dienden te worden.
- Gebruikelijk was, dat voor een algemeen concilie alle bisschoppen en andere hoogwaardigheidsbekleders werden uitgenodigd. Voor Vienne werd een lijst van genodigden opgesteld, in overleg met de koning. Degenen, die niet voor een uitnodiging in aanmerking kwamen, ontvingen bericht dat ze geacht werden thuis hun bisschoppelijke verplichtingen te vervullen.
- Philips bleef aandringen op onderzoek naar en maatregelen met betrekking tot Bonifatius VIII. Deze zou als ketter moeten worden veroordeeld. Zijn stoffelijk overschot zou moeten worden opgegraven en - van een ketter zijnde - verbrand moeten worden. Wat dit betreft heeft Clemens overigens weinig toegegeven.
- De paus hield niet op Philips te prijzen vanwege zijn groot geloof en zijn religieuze ijver. Van de kant van Philips en vooral van diens aanhang was de benadering van Clemens onverholen bedreigend en grof.
Terwijl dus de schijn gewekt wordt, dat de koning de partij is die toegeeft en Clemens de onderhandelingen succesvol afsluit, houdt Philips in feite de teugels stevig in handen. Hij kan dit doen, omdat het Franse episcopaat en de Franse bevolking overwegend aan zijn kant staan. Op zijn hand zijnde Franse prelaten zijn overal aanwezig waar beslissingen vallen. Aan bijna al zijn verlangens wordt tegemoet gekomen. Ook zijn eis, dat de curie in Frankrijk gevestigd blijft en dat het algemeen concilie zo niet in Frankrijk, dan toch aan de grens van Frankrijk wordt gehouden, wordt ingewilligd. De Heilige Stoel blijkt in hoge mate afhankelijk van de Franse staatsmacht.
De onderzoeken hervat.
De bisschoppelijke commissies werden ingesteld. Ze begonnen hun onderzoek van individuele ordeleden. Veel Tempelieren bekenden schuld, kregen een straf opgelegd en werden met de kerk verzoend. Buiten Frankrijk werden maar weinig schuldbekentenissen verkregen. Bij ontkennen van schuld volgde uiteindelijk inderdaad foltering. Werd hier buiten Frankrijk de hand mee gelicht, dan drong de paus er met kracht op aan, dat men zich aan de voorschriften hield. (Raynouard, pg. 164 – 167.)
Bijzonderheden over de gang van zaken bij de diverse Commissies.
Verslagen met betrekking tot de verhoren en de verdere gang van zaken bij de verschillende pauselijke commissies bleven, zij het lacunair, toch in relatief aanzienlijke mate bewaard.
In Frankrijk
Brabant en Vlaanderen, ook Zeeuws-Vlaanderen, vielen onder de invloedssfeer van de Franse koning en bij gevolg onder het werkterrein van de Franse commissies. Deze werden rond 1308 ingesteld. Van hun werk in onze gebieden is weinig bekend (Rogghé,1973, pg.149. Nuyttens, pg.186.) De tempeliers uit Vlaanderen en Henegouwen stonden terecht voor een synode van het aartsbisdom Reims. Bekend is, dat daar met strengheid te werk werd gegaan. Sommige ordeleden werden er vrijgesproken, andere werden gefolterd en veroordeeld, negen belandden er op de brandstapel. .
Toen de Franse commissie, die een onderzoek naar de Orde als geheel zou instellen, in Parijs in augustus 1309 haar eerste oproep deed naar gegadigden, die met betrekking tot de Tempelorde zouden willen getuigen, verscheen er niemand. Dit veranderde, toen beter bekend werd, dat het hier ging om een oordeel over de orde als geheel en niet om individuele Tempelieren. Getuigen werd verzekerd, dat ze geen persoonlijk nadeel zouden ondervinden van hun uitspraken. Toen bleek, dat de koninklijke gevangenbewaarders de oproep aan de gevangenen om voor de commissie te verschijnen saboteerden, de arrestanten bedreigden en door foltering weerhielden te getuigen, werden hiertegen passende maatregelen genomen (Havemann, pg 234 - 235.). De commissie slaagde er inderdaad in de indruk te vestigen onbevooroordeeld te zijn en verwierf meer en meer het vertrouwen. Zienderogen nam de bereidheid toe om voor de Orde te getuigen. Uiteindelijk meldden zich meer dan 500 ordeleden.
Ook een groep van ongeveer 75 broeders uit noordelijke bisdommen, waaronder het bisdom Utrecht, verklaarden zich bereid. Zij werden geboeid naar Parijs vervoerd. Onder hen bevonden zich twee afkomstig uit het gebied dat tegenwoordig Nederland vormt, namelijk afkomstig uit Zeeuws-Vlaanderen: Hendrik van Aardenburg en Gillis van Peerboom. De laatste was een priester-tempelier oorpronkelijk uit het bisdom Utrecht. Hij was een van de vijftien broeders, die namens ruim honderd Tempelieren voor de commissie uitvoerig getuigden. Zij verklaarden, “dat ze als Tempeliers eerbaar leefden, de caritas beoefenden en gastvrij waren, dat ze nederig het rode kruis op hun kleed droegen en dat ze eerlijke kapittelzittingen hielden zonder vlekken en naar Rooms geloof.” Wat er verder van hen geworden is, is niet bekend. (Hardenberg, pg. 20 en 21; P. Roggé, 1972, pg. 561; Rogghé, 1973, pg. 150 - 152.)
Ook andere juridisch goed onderlegde leden imponeerden de commissie met hun betoog, waarin zij alle schuld ontkenden en de onrechtmatigheid van de procedure en het gebruik van foltering aan de kaak stelden. Voor de Orde ontlastende getuigenissen stapelden zich op. ( Voor bijzonderheden zie: Havemann: pg. 235 – 259.) Voor Philips en zijn medestanders werd de situatie alarmerend. Hun geduld raakte op. Het was intussen april 1310 en het concilie van Vienne kwam in zicht. De uitkomst van het proces werd met de dag meer onzeker. Het werd voor hen hoog tijd om opnieuw het initiatief in handen te nemen.
De pauselijke beslissing, dat individuele leden onder gezag van de
eigen bisschop berecht dienden te worden, bood uitkomst. De
aartsbisschop van de Sens was kortgeleden benoemd op voordracht van
Philips en was zeer op zijn hand. Parijs lag in zijn bisdom. Hij
bleek bereid op zeer korte termijn een bisschoppelijke synode bijeen
te roepen die recht zou spreken over individuele tempeliers. Bezwaren
van de verdediging tegen de gang van zaken werden op formele gronden
terzijde geschoven. Een aantal ordeleden werd voorgeleid. Zij
behoorden tot degenen, die zich bereid hadden verklaard de Orde voor
de pauselijke commissie te verdedigen. Indertijd hadden ze een
bekentenis afgelegd en deze later herroepen.
Het oordeel van de
rechtbank luidde: een ketter, die zijn bekentenis intrekt, is de dood
schuldig. Vier en vijftig tempeliers werden onmiddellijk ( 12 mei
1310 ) even buiten Parijs levend verbrand.
De volgende dag verscheen een volkomen ontredderde tempelbroeder voor de pauselijke commissie. In en hartverscheurende verklaring herriep hij zijn vroeger gedane bekentenissen. Alle aan de orde verweten dwalingen waren volledig vals. Hij voegde hieraan toe, dat hij de dag te voren met eigen ogen vier en vijftig broeders op wagens had zien afvoeren om verbrand te worden. Hij bekende dat hij vreesde geen weerstand te kunnen bieden als hij gefolterd en met de vuurdood bedreigd zou worden. Hij verklaarde onder eed, dat hij in dat geval uit vrees voor de dood in aanwezigheid van eender wie, alle beschuldigingen, verweten aan de orde, voor waar zou verklaren en dat hij zelfs zou bekennen, dat hij de Heer had vermoord indien men hem dat zou vragen.( Zie voor de tekst van de verklaring: Van Buyten en Vanderzeypen: pg 303 - 305.) Enkele dagen later volgden vier andere tempelbroeders uit Parijs de weg naar de brandstapel en daarna nog negen uit een andere provincie.
De bereidheid om te getuigen voor de pauselijke commissie bleek op eens verdwenen. Slechts weinigen legden nog verklaringen af. Deze waren verward en weinig-zeggend. De commissie schortte haar werkzaamheden een half jaar op. Daarna verschenen nog enkele getuigen die overwegend voor de Orde belastende verklaringen aflegden. De commissie sloot haar werkzaamheden af met de toezending van een protocol aan de Paus.
In Engeland:
Edward II, de koning van Engeland, legde in eerste instantie de beschuldgingen van zijn schoonvader Philips IV ten aanzien van de Tempelridders als ongeloofwaardig naast zich neer. Toen de paus arrestatie gelastte, meende hij zich daartegen niet te mogen verzetten. In januari 1308 werden ook in Engeland bijna alle Tempeliers (130 in getal) gevangen gezet, zij het onder humane condities. De paus zond twee inquisteurs. Deze begonnen hun verhoren. De aangeklaagden ontkenden schuld. De inquisiteurs drongen aan op foltering. De wetten in Engeland bleken hier echter geen ruimte voor te laten. De inquisiteurs probeerden een regeling te treffen voor een verplaatsing van het onderzoek naar het gebied van de koning van Frankrijk, zodat alsnog met foltering gewerkt zou kunnen worden. Uiteindelijk werd een milde vorm van foltering toegestaan en voorgeschreven. Of in Egeland inderdaad tortuur is toegepast is niet duidelijk. Gelegenheid werd geboden een bekentenis af te leggen voor een gering vergrijp en daarvoor vergiffenis te verwerven. Veel broeders maakten van deze uitweg gebruik. William de la More, meester van de Tempel in Engeland, bleef standvastig alle schuld van de Orde ontkennen. Hij overleed in in gevangenschap. De inquisiteurs stelden met kunst en vliegwerk een verslag op, bestemd voor het concilie van Vienne. Het bevatte geen steekhoudende bewijzen voor ketterij in de Engelse tak van de Tempelorde. ( Havemann: pg. 298 – 323; Finke: pg. 316 en 317; Nicholson: 2009.) Geen Britse Tempelier is veroordeeld wegens ketterij, geen liet het leven op de brandstapel.
De gang van zaken in Duitsland.
Een algemene arrestatie van Tempelieren heeft in Duitsland niet plaatsgevonden. Van een centraal staatsorgaan is geen bevel daartoe uitgegaan. Of in Duitsland foltering is voorgekomen is niet met zekerheid bekend. ( Finke, pg. 317.) In vergelijking met andere landen was het optreden in Duitsland echter ongewoon mild ( Havemann: pg. 329.).
In augustus 1308 werden door de paus ook voor Duitsland de bekende commissies aangewezen. Van de activiteiten van deze commissies is overigens weinig bekend. ( Finke: pg. 318; Moll: Deel II, stuk 2, pg. 136.). De volgende brokkelige gegevens wijzen wel in de richting van en meer algemeen beeld:
De aartsbisschop van Maagdenburg ontving in 1308 opdracht van Clemens V de Tempelieren in zijn gebied gevangen te nemen. Alle bewoners van vier commanderijen werden gearresteerd. Onder hen was de grootmeester van Duitsland. Een en ander leidde tot zoveel protest en onrust onder de adel van het bisdom, dat de bisschop zich genoodzaakt zag de gevangenen vrij te laten en met hen overeen te komen, dat ze tijdig gewaarschuwd zouden worden, wanneer van pauselijke zijde opnieuw vrijheidsberoving zou dreigen. Een en ander schijnt overigens niet zonder enig geweld te hebben plaats gevonden. De betrokken tempelridders wisten nog jaren na het concilie van Vienne tempeleigendommen in hun bezit te houden. Meerdere van hen traden toe tot de Orde van St. Jan. ( Havemann: pg.332 en 333; Finke: pg. 317 en 318.)
Op 12 oktober 1308 spoorde paus Clemens de aartsbisschop van Keulen aan een provinciale synode bijeen te roepen om een oordeel uit te spreken over de Tempeliers. Een synode werd inderdaad bijeen geroepen, maar in haar eindverslag wordt over de Tempeliers zelfs niet gerept. (Nuyttens: pg.185 en 186.)
Met betrekking tot een bisschoppelijke synode te Mainz in het voorjaar van 1310 is het volgende bekend (Havemann: pg. 330; Finke: pg. 318 - 320.): Tijdens een zitting verscheen plotseling een twintigtal Tempelieren in volle wapenrusting. Uit de mond van hun commandeur klonk een krachtig protest tegen de op gang zijnde berechtingen. De aartsbisschop - bezorgd dat het tot gewelddadigheden zou komen - zegde toe, er bij de paus op te zullen aandringen, dat de aangeklaagden met rust zouden worden gelaten en liet hen in vrijheid gaan. Tijdens de synode werd - eveneens in strijd met de pauselijke richtlijnen - een oordeel over de Orde uit gesproken. Dit luidde: vrijspraak. Eind 1310 werd deze uitspraak op niet mis te verstane wijze door de paus nietig verklaard. Hij eiste daarbij toezending van ondertekende en gezegelde akten met betrekking tot individuele Tempelieren. Philips de Schone drong aan op bestraffing van de betrokken blijkbaar zeer eigenmachtig optredende aartsbisschop, waarschijnlijk omdat deze in samenspraak met zijn collega’s uit Keulen en Trier en wederom in strijd met de pauselijke richtlijnen het overgrote deel van bepaalde tempelgoederen in Duitsland had achtergehouden. Tijdens het concilie van Vienne gelastte Clemens hem gevolmachtigden te zenden, die op de hoogte waren van de aangelegenheden van de Tempelorde. Deze zouden verantwoording moeten afleggen. Ook de onjuiste gang van zaken op het provinciaal concilie zou daarbij ter sprake worden gebracht. Het verdere verloop is niet bekend.
In Bohemen legden meerdere Tempelieren hun witte mantel af. Sommigen huwden. Ook eigenden ze zich de Tempelhofsteden wel toe of brachten deze in het bezit van adellijke geslachten ( Havemann: pg. 333.)
Mudzaert schrijft in 1622”( II, pg, 426.):“Wat de Duitsche Tempel-heeren belanght / zijn in het leven ghebleven; doch is de Orden te niet ghedaen / ende zijn sy ende hunne goederen onder andere Orden verdeelt gheworden.”
In Nederland
Tot het werkgebied van de bovengenoemde duitse commissies en van de synode van Mainz zal ook Nederland ten noorden van de Maas gerekend moeten worden S. van den Anker. vermeldt in dit verband in zijn studie: “De Opheffing der Tempeliers”: ( pg. 14.) “Ook de aartsbisschop van Keulen en diens suffraganen en derhalve ook de bisschop van Utrecht ontvingen zulk schrijven, waarin aan deze prelaten opgedragen werd, een onderzoek in te stellen naar de beschuldigingen tegen de orde ingebracht, terwijl hun tevens bericht werd, dat zekere commissarissen, waaronder de deken van de St. Servaas te Maastricht, hen in dit onderzoek van ’s Pausen wege zouden bijstaan”. Zie voor de betreffende pauselijke bul van 12 augustus 1311: Frederico (Deel I, pg.161 – 163, nr.168 en 169.) Deken Rolinus van Maastricht was door de paus benoemd tot algemeen inquisiteur voor het gebied te oosten van de Schelde. Van zijn activiteiten en invloed is weinig bekend. Er mag van worden uitgegaan, dat hij op de hand was van de Franse koning en dat hij een voorstander was van een hard optreden tegen de Tempelridders.
Onderandere uit een aantekening van Van Heussen en Van Rijn ( Deel III, pg. 972.) bij een stichtingsakte van het “Nieuwenklooster” bij Haarlem blijkt, dat in de achttiende eeuw meerdere auteurs van mening waren, dat hetgeen over de afhandeling van de zaak van de Tempelieren tijdens de synode van Mainz bekend werd, ook voor de “Nederlandse” Tempelieren heeft gegolden. Zij schrijven: ”In Duitsland heeft men de Templieren zachter gehandelt: want de Aartsbisschop van Ments, hebbende alvorens een Synoden gehouden, heeft de Templieren, die zich onnozel verklaarden, en op den volgenden Paus beriepen, in 't leven gelaaten, en heeft hen met hunne goederen in andere kloosters verdeelt. Even eens zijn de Templieren gevaaren, dewelke in de voorstad van Haarlem, op den weg naar den Hout, gesticht waren door Willem Heer van Egmond. Want door bemiddeling van hunnen stichter voornoemd zijn zij met hunne goederen overgegaan in S. Jans Gasthuis.” Zie verder: Haarlem.
Blijkt deze opvatting met betrekking tot de behandeling vam de Ordeleden in ons land boven de Maas in het algemeen houdbaar, dan is de Tempelieren in deze streken veel onheil bespaard gebleven. Een belangrijke factor hierbij was, dat in het begin van de veertiende eeuw in onze streken, en in de Duitse landen in het algemeen, de pauselijke inquisitie nauwelijks of niet aanwezig was. De bisschoppen, o.a. die van Keulen en Utrecht, hielden de bestrijding van ketterijen stevig in eigen hand. Zij lieten zich daarbij de wet niet voorschrijven. Waarschijnlijk werd; met hulp van de hoge adel, terwijl de hoge geestelijkheid een oogje dicht deed, aan de Tempelridders de mogelijkheid geboden geruisloos van het toneel te verdwijnen, veelal door in te treden bij de Hospitaalridders. Aan de pauslijke richtlijnen werd daarbij dan wel voorbij gegaan, terwijl in de archieven nauwelijks sporen werden achtergelaten.
Overige Landen
Ook met betrekking tot de gang van zaken in de overige landen is een en ander bekend. Onder invloed van de aanhoudende pauselijke aandrang tot het toepassen van foltering zijn de berichten vaak aangrijpend en soms hartverscheurend. Overigens, slechts weinig bekentenissen werden verkregen. In feite vormen de verslagen in hun totaliteit een krachtig pleidooi voor de onschuld van de Orde. ( Zie voor Spanje: Havemann: pg. 323 – 326. Voor Italië: Havemann: pg. 326 – 328; Finke: pg. 320 – 322. Voor Cyprus: Havemann: pg. 328 en 329.)
Protesten tegen de wrede folterpraktijken bleven in die dagen niet uit. In november 1311 vaardigde Clemens met goedkeuring van het Algemeen Concilie nieuwe statuten uit, die de verhouding van de bisschoppen en de pauelijke inquisiteurs onderling regelden. Misbruiken en voortdurende spanningen tussen beide groepen maakten dit noodzakelijk. De regelingen betroffen ondermeer :de kerkers, de sleutels daarvan., de knechten en hulpen, het gebruik van de pijnbank, het misbruik van macht, het pauselijk toezicht, enz.Vermeld werd daarbij, dat de vele klachten over misbruik van bevoegdheden die de paus bereikten hem tot deze maatregelen brachten. ( Frederico, I, pg.163 – 167, nr.170.)
De Tempelorde ”vernietigd”.
Het uiteindelijk
oordeel over de Orde als geheel, was door de paus gedelegeerd aan het
concilie van Vienne. Dit kwam in october 1311 bijeen. Onder de
ongeveer 120 kardinalen, bisschoppen, abten en andere
hoogwaardigheidsbekleders waren uit onze streken aanwezig: Heinrich
von Virneburg, aartsbisschop van Keulen en Guy van Henegouwen,
bisschop van Utrecht.
Een veroordeling van de Tempelorde op grond van een samenvatting van de verslagen van de pauselijke commissies was voorbereid. De paus wilde de tempelierenkwestie snel afhandelen. Een overgrote meerderheid van de concilievaders gaf er echter de voorkeur aan, dat de Orde eerst nog gelegenheid werd geboden zich te verdedigen zodat eventueel vrijspraak zou kunnen volgen. ( Hefele: pg. 56 – 59.) Sommigen vonden daarentegen, dat het beter zou zijn geen oordeel over de Orde uit te spreken, maar haar eenvoudig op te heffen. Ook over de bezittingen van de Orde bestond verschil van mening. Moest alles blijven bij het oude? Moesten de bezittingen worden overgedragen aan de Johannieters? Of moest een geheel nieuwe orde worden gesticht, die dan als erfgenaam zou kunnen optreden?
Terwijl een op zijn minst tendentieus te noemen samenvatting van de bevindingen van de pauselijke commissies werd voorgelezen, verschenen onverwacht negen Tempeliers in een vergadering van concilievaders. Zij verklaarden zich bereid namens tweeduizend broeders de verdediging van de Orde op zich te nemen. Formeel gezien stonden ze in hun recht. Een algemene oproep om te verschijnen was uitgegaan. Evenwel, de paus liet de negen arresteren en geboeid in de gevangenis werpen. Hij voelde zich bedreigd. Geruchten deden de ronde over grote groepen Tempeliers, die zich in de omgeving van Vienne gereed zouden houden. Clemens verhoogde de veiligheidsmaatregelen. Hij bracht de koning schriftelijk op de hoogte van de gang van zaken en adviseerde hem eveneens gepaste maatregelen te treffen met betrekking tot zijn persoonlijke veiligheid. (Raynouard, pg.174 – 178.)
Clemens zag zich voor een moeilijke beslissing geplaatst. Hij zag er tegenop in te gaan tegen een zo overwegende meerderheid van het concilie. Ingaan tegen de wil van de Franse koning betekende echter groot onheil. De winterlang bleef hij treuzelen. Intussen vond intensief overleg plaats met het koninklijk hof. Dit stelde zich ten opzichte van de Heilige Stoel tegemoetkomend op. Het toonde zich bereid de beschuldigingen tegen Bonifatius VIII te laten rusten, maar drong tegelijk met veel klem aan op veroordeling van de Tempelorde. ( Raynouard, pg. 189 en 190.)
In het voorjaar van 1312 werden de zittingen van het concilie hervat. Philips verscheen met veel pracht en praal, vergezeld van familieleden en een groot militair-getint gevolg. Op 22 Maart deelde de paus in een geheim consistorie in aanwezigheid van de kardinalen en talrijke prelaten mee - zonder dat deliberatie mogelijk was, maar duidelijk tot ongenoegen van de meerderheid der concilievaders - dat hij uit voorzorg bij pauselijke administratieve beslissing ( bij bestuurlijke maatregel en niet bij gerechtelijk oordeel ) de Tempelorde had opgeheven. Met de woorden van de betrokken bulle: ze was door hem “vernietigd”. Als reden werd opgegeven, dat zij door de ernstige opspraak waarin zij was geraakt niet meer dienstbaar was aan het doel, waarvoor ze in leven was geroepen. Op 3 April vond in aanwezigheid van de koning en zijn hofhouding een plechtige zitting plaats, waar door Clemens dit besluit openbaar werd afgekondigd. Het is niet onwaarschijnlijk, dat hem deze oplossing al lang voor ogen heeft gestaan en dat hij zijn mening heeft doorgezet, toen hij de tijd ervoor rijp achtte. Ze deed recht aan zijn opvatting, dat de Tempelorde niet schuldig was aan ketterij. De Orde werd niet veroordeeld. Of aan de vergaderde concilievaders en aan de Tempelorde en haar leden recht werd gedaan, is een andere vraag.
Wat gebeurde er met de eigendommen?
De paus bepaalde voorts
in een bul van 2 Mei 1312 ( Frederico, II, no.41, pg. 67-70),
dat de eigendommen van de Orde ter beschikking gesteld moesten worden
aan de Orde van Sint-Jan. Enerzijds bereikte hij hiermee - zij het
langs een vreemde omweg – dat het potentieel van de twee grote
orden, ten minste wat de bezittingen betrof, tot een eenheid werd
omgesmolten. Anderzijds voorkwam hij, dat de grote militaire en
economische macht van de Tempelorde in handen kwam van de Franse
koning.
De afwikkeling van dit besluit heeft nog tientallen jaren
in beslag genomen. Door de troebelen van de afgelopen tijd waren veel
gebouwen, landerijen, eigendomsdocumenten, enz. van de Tempelorde in
het ongerede geraakt. Allerlei schuldeisers, waaronder vorsten,
religieuze instellingen en wereldlijke heren, dienden zich aan met
claims uit het verleden. Vorsten hadden de goederen onder hun
bescherming genomen en maakten daar vrijmoedig misbruik van. Philips
IV zorgde er voor, dat hij ruimschoots schadeloos werd gesteld voor
zijn verleende “diensten”. Hij bracht hoge “proceskosten”
in rekening en eigende zich de kostbaarheden toe, die bij de Tempel
in Parijs beleend waren. Ook de paus zelf ontving zijn deel
(Raynouard, pg.197 – 199; Havemann: pg. 335.). In
Spanje en Portugal gingen de bezittingen over naar nieuw gevormde
ridderorden, die nauw gelieerd waren aan de koningshuizen en min of
meer als voortzetting van de Tempelorde werden beschouwd.
Hoe verging het de personen?
De individuele ordeleden
stonden, in overeenstemming met de pauselijke bepaling, terecht voor
bisschoppelijke inquisitierechtbanken. Velen werden vrijgesproken of
mild bestraft. In Frankrijk belandde een aantal alsnog op de
brandstapel. Zij die in vrijheid werden gesteld werden niet ontslagen
van hun kloostergelofte. Zij ontvingen een pensioen, mochten verder
verblijven in een huis van de voormalige orde, toetreden tot een
andere ridderorde of tot een kloosterorde naar eigen keuze.
De paus behield zich het recht voor te oordelen over de hoogste
leidinggevende figuren die nog steeds in Parijs gevangen zaten. Een
commissie van kardinalen werd belast met de uitvoering. In 1314
werden in een openbare zitting vier tempelridders – waaronder
de grootmeester - voorgeleid. Het oordeel luidde: levenslange
gevangenisstraf. Dit ging Jacques van Molay te ver. Luidkeels herriep
hij zijn bekentenissen en schreeuwde zijn persoonlijke onschuld en
die van zijn orde uit: “De perversiteiten en zonden die men
ons aanwrijft zijn verzonnen. De regel van de Tempel is heilig,
rechtvaardig en katholiek”. Ook een tweede ridder herriep
zijn bekentenissen. De commissie stond perplex. De koning greep
onmiddellijk in. Zonder ertoe gerechtigd te zijn veranderde hij het
oordeel in: dood door de brandstapel. De vonnissen werden
onmiddellijk voltrokken. Kennelijk wilde Philips elke mogelijkheid,
dat de Tempelorde toch nog zou blijven bestaan, teniet doen, door ook
de laatste rest van haar gezagscentrum te elimineren.
De schuldvraag.
Zo ging de machtige Tempelorde ten onder.
De vraag of en in hoeverre zij hieraan zelf schuldig was, bleef
eeuwenlang een strijdpunt. Op Clemens V rustte het odium
slippendrager van Philips de Schone te zijn geweest en daarmee
schuldig te zijn aan de ondergang van de Orde.
Barbara Frale wijst er op, dat, sinds haar vondst van de “Chinon Perkamenten” in 2001, de schuldvraag in meer juiste verhoudingen kan worden gezien. Zij prijst paus Clemens V, die door intelligent en diplomatiek optreden de Kerk in een moeilijke periode voor een schisma wist te behoeden; die voorkwam, dat de Tempelorde ten onrechte wegens ketterij werd veroordeeld; die ook voorkwam, dat haar eigendommen in het bezit kwamen van de Franse kroon en die uiteindelijk aan een cynische folter- en moordpraktijk een halt wist toe te roepen. Blijft staan, dat hij niet wist te voorkomen, dat velen werden gefolterd en het leven lieten en dat de Orde zelf werd opgeofferd.
Een ruimere betekenis.
De betekenis van het gebeurde was overigens ruimer dan de
“vernietiging” van de Tempelorde alleen.
- Het vormde een episode in de worsteling om de macht
tussen de paus van Rome en de koning van Frankrijk. Geen van beiden
behaalde hier een definitieve overwinning. De twee grote ridderorden
werden voorts op een overigens niet voorziene wijze wel tot èèn
teruggebracht. Deze bleef ter beschikking van de paus en kwam niet in
handen van de koning van Frankrijk. Na het concilie begonnen de twee
hoofdrolspelers gezamenlijke besprekingen over hun nieuwe kruistocht.
Die is er niet meer van gekomen. Binnen een jaar waren zowel de
koning als de paus overleden.
- Het
gebeurde kenmerkte ook een belangrijke overgang naar een nieuwe
staatkundige ordening in Europa. Het was een stap in de richting van
het volledig verdwijnen van de pauselijke zeggenschap over
wereldlijke zaken, voorts een stap in de richting van het absolute
koningschap en een stap in de richting van een Europa van nationale
staten. In een zo geordend Europa was voor een instituut als de
Tempelorde inderdaad geen plaats meer.