Sporen van de Tempelieren in Nederland - http://www.tempelieren.nl - © Ben Brus 2003-2012
De Tempelorde in Nederland
Over de aanwezigheid van de Tempel in Nederland is weinig bekend.
Dit in tegenstelling tot de kennis over haar aanwezigheid in andere landen.
Met betrekking tot de Tempelorde
bestaat een grote hoeveelheid literatuur. De hoedanigheid ervan loopt
uiteen. Een deel is romantiserend en mystificerend van aard. Deze
publicaties zeggen dikwijls meer over de voorkeur en de opvattingen
van de auteurs dan over de Orde van de Tempelridders. Daarnaast
hebben veel kritisch ingestelde historici zich met het onderwerp
bezig gehouden. Hoewel het eigen archief van de Tempelorde verloren
is gegaan, zijn intussen meer dan 145 000 documenten uit de tijd van,
en met betrekking tot de Orde - schenkingsoorkonden, brieven,
verslagen van rechtszittingen, verslagen van kapittelvergaderingen,
pauselijke bullen, enz. - aan het licht gekomen. Veel studies
handelen over de Orde in het algemeen. Daarnaast zijn er talrijke
publicaties over bijzondere aspecten: over individuele commanderijen,
over de aanwezigheid van de Tempelieren in bepaalde streken en
landen, over militaire en bancaire activiteiten, enz..
In
merkwaardig contrast hiermee staat, dat over de aanwezigheid van "De
Tempel" in Nederland weinig werd geschreven en dat er
klaarblijkelijk ook maar weinig over bekend is. Bijvoorbeeld: uit ons
land zijn slechts enkele tempelridders naar naam en afkomst bekend.
Totaal anders ligt dit in Vlaanderen. Een van de twee grondleggers
van de Orde was een Vlaming. Twee grootmeesters stamden uit
Vlaanderen. In het algemeen speelden Vlaamse ridders in de Tempelorde
een prominente rol. Over hen en over meerdere commanderijen uit
Vlaanderen is veel bekend. Ook over de aanwezigheid van de Orde in
landen als Frankrijk, Engeland, Italië, Duitsland en Hongarije
is veel, soms zeer veel, gepubliceerd.
Enkele stemmen uit de
literatuur met betrekking tot de Tempelorde in de Noordelijke
Nederlanden.
In 1854 schreef Rómer ( Pg. 90 ):“....... . Zelfs ligt er over haar ( de orde der Tempelieren ) geheele geschiedenis in deze gewesten een sluijer, die nog niet is opgeheven en ook nog niet opgeheven kan worden. Weinig, zeer weinig is er van de Hollandsche en Zeeuwsche Tempelieren ter kennis van het nageslacht gekomen. Zij vertoonen zich als nevelgestalten, plotseling opgekomen en na een twijfelachtig aanwezen geheimzinnig verdwenen.”
In ”Kerkgeschiedenis van Nederland vóór de Hervorming”, van Moll, verschenen in1867, ( Tweede deel, Tweede stuk, pg.132 en 133.) valt te lezen:”Van de geschiedenis der tempelieren in Nederland is zeer weinig bekend. Wat wij van hen weten, bepaalt zich hoofdzakelijk tot de plaatsen waar zij zich vestigden, en tot de wijze, waarop hunne huizen ook hier, gelijk elders, verloren gingen. Over hunne wapenfeiten in het oosten, hun leven in het vaderland, hunne deugden en ongeregtigheden hangt een sluijer, die welligt nimmer zal opgeheven worden.” Enkele pagina’s verder wordt de pauselijke opdracht van 1311 aan de bisschoppen vermeld, tot het doen van een onderzoek naar de ketterij en overige zonden der Tempelorde. De tekst vervolgt dan: ( pg. 136 en 137 ):“ Dat aan dit bevel ook door Guy van Avesnes, te dien tijde hoofd van ons bisdom, en door de bisschoppen van Luik en Munster gevolg gegeven werd, laat zich naauwelijks betwijfelen, hoezeer ons van de bedrijven dezer mannen in de zwaarwigtige aangelegenheid niets bekend is.”
W. Jappe. Alberts schrijft in “Geschiedenis van Gelderland tot 1492”: “De Tempelieren ...... ontbraken in het Gelderse gebied, hoewel zij elders in Noord-Nederland ongeveer 12 vestigingen hadden.” ( pg .218.)
In “Overijssel” – een uitvoerige inventarisatie van landgoederen in Overijsel onder redactie van G.A.J. van Engelen van der Veer, c.s. – wordt vermeld: “Een huis der tempeliers heeft nooit in ons gewest bestaan”. ( pg. 530.)
In ”Monasticon Batavum” van M. Schoengen worden vierentwintig vestigingen van de Tempelorde genoemd, soms met enige bijzonderheden. Bij elf ervan wordt echter een vraagteken geplaatst
Kardinaal de Jong schrijft in zijn "Handboek der Kerkgeschiedenis" over de Tempelorde: "In ons land had zij omstr. 20 commandarijen." Hij vermeldt hierbij geen verdere bijzonderheden. (Deel II, pg. 190.)
Post schrijft in zijn “Kerkgeschiedenis van Nederland in de Middeleeuwen” ( Pg. 218 ): “Ook de ridderorden vestigden zich in het hier behandelde tijdperk in ons land. Er waren er voornamelijk drie: de tempeliers, de johannieters en de Duitse orde. Alle drie hadden de beoefening van de naastenliefde in hun vaan geschreven en wel in het bijzonder verpleging en verzorging van pelgrims. Daarbij waren al spoedig militaire verplichtingen gekomen: verdediging van het Heilige Land, strijd tegen de ongelovigen, ook in Pruisen, en beveiliging van de wegen. Dit zal eenmaal zó geweest zijn, maar de overgeleverde bronnen vermelden ten aanzien van de Nederlandse huizen zeer weinig daarvan. In het algemeen is van de eerst tijd bijna niets bekend. Wat er van vermeld is duidt niet bepaald op militaire en ridderlijke activiteit, veel meer op het kloosterleven, als het zingen van getijden, het beoefenen van de zielzorg in de aan hen geschonken parochies. Van de tempeliers weten we eigenlijk slechts dat de Nederlandse huizen verdwenen, toen de orde in 1311 werd opgeheven. Deze bracht het echter vóór die tijd hier tot minstens twaalf nederzettingen, misschien wel meer, maar zelfs het bestaan van verschillende huizen is problematisch. Zij vestigden zich in kleinere plaatsen, als Alphen in Noordbrabant, Beek in Limburg, Lage-Mierde, Rixtel, op Texel, te Zaandam maar ook enkele in grotere dorpen of steden zoals Beverwijk, Haarlem, Maastricht en Zierikzee. Hoe hebben deze huizen er uitgezien? Waren het burchten of eenvoudige woningen? Uit welke standen kwamen de bewoners voort? Waren het merendeels ridders, of mannen van burgerlijke afkomst? Leidden zij een ridderlijk leven of een eenvoudig kloosterleven, weinig verschillend van dat van de cisterciënzers? Op al deze vragen moeten wij het antwoord schuldig blijven”.
L.Milis schrijft in zijn bijdrage in “Algemene Geschiedenis der Nederlanden”: “Het overzicht van de instellingen die aan de religieuze hernieuwing hun ontstaan te danken hebben, zou onvolledig zijn als geen woord zou worden gezegd over de ridderorden. Onze kennis hierover blijft echter beperkt. Het lijkt trouwens dat het maatschappelijk effect ervan op de geschiedenis der Nederlanden niet zo groot is geweest, zelfs wanneer het aantal huizen in de tientallen liep. .........De orde van de tempeliers….. Het overtollig gebruik van de term Tempel, Tempelhof en dergelijke in de toponymie en in de volkse overleveringen en het lacuneus karakter der bronnen werpen een schaduw op de studie van de historische realiteit. Alleen voor Vlaanderen en Brabant werden studies gedaan. Voor het eerste graafschap telde men zestien huizen (gesticht tussen 1131 en 1276), voor Brabant zes”. ( Blok, D.P. e.a. pg.186.)
Koert
ter Veen schreef: "De tempeliers. Afrekening met
een legende"; tot voor kort de enige monografie over de
Tempelorde in de Nederlandse taal. Hij vermeldt daarin over Nederland
( pg.129 - 134 ), dat in de zeventiende eeuw in ons land allerlei
verhalen over de bezittingen van de Tempeliers verschenen. Deze
belangstelling zou mogelijk een tendentieuze basis hebben gehad. De
onverkwikkelijkheden rond het proces tegen de Orde zouden een gereed
aanknopingspunt hebben geboden voor kritiek op de Rooms-katholieke
Kerk. Ter Veen noemt vervolgens een publicatie uit 1941/42 ( het
bovengenoemde Monasticon Batavum van M. Schoengen ) waarin 24
vestigingen van de Tempelorde in het gebied, dat nu Nederland heet,
worden vermeld. Hij merkt daarbij op, dat in bijna al deze gevallen
een vermelding in middeleeuwse bronnen ontbreekt. Hij concludeert
dan, dat bij nauwkeurig toezien voor bijna geen enkele van deze
vermeldingen een historisch verantwoorde fundering is te vinden.
Slechts een enkele, die van een commanderij in het Noord-Brabantse
Alphen, kan bij hem de toets der
kritiek doorstaan. In Alphen vestigden de Tempelridders buiten
twijfel een klooster, “Ter Brake” geheten. Uit akten
blijkt, dat de heer van Breda hiervoor in 1144 landerijen beschikbaar
stelde. Ook allerlei documenten van latere datum met betrekking tot
eigendommen van deze commanderij kwamen aan het licht.
Ter Veen
neemt verder aan, dat Oosterhout
mogelijk ook een commanderij heeft gekend, maar met zekerheid
valt dit uit de beschikbare documenten niet aan te tonen.
Aan het
slot van zijn overzicht concludeert hij: "Vergeleken met de
beide andere ridderorden hadden de Tempeliers erg weinig bezittingen
in Noord-Nederland." ( pg. 133 )
Goudriaan publiceerde in 2010 een nieuwe versie van de”Kloosterlijst”. Deze wil een antwoord geven op de vraag welke kloosters er in de middeleeuwen in ons land hebben bestaan. In deze lijst werd slechts èèn klooster van de Tempelieren opgenomen, te weten de Commanderij Ter Brake te Aphen. 23 andere kloosters, die in de literatuur ook als tempelierenkloosters vermeld worden, maar waar voor het bestaan ervan geen bevestiging kon worden gevonden, neemt Goudriaan op in, wat hij noemt, de “eliminatielijst”. Opname in deze lijst betekent, dat een vermelding van het betrokken klooster als legende wordt beschouwd. Voor 23 in de literatuur vermelde tempelierekloosters is dit dus het geval. Goudriaan verwijst bij het noemen van een dergelijk klooster in de eliminatielijst steeds naar de volgende tekst: ” De tempelierenlegende. De geforceerde opheffing van de tempelorde heeft sterk tot de verbeelding gesproken. Ook de overdracht van een gedeelte van de goederen van deze orde aan de johannieters heeft de overlevering beïnvloed. Enkele andere opgeheven orden, met name de zakbroeders, de eksterbroeders en de lazarieten, zijn in de herinnering vervangen door de tempeliers. In veel gevallen werden onverklaarde muurresten e.d. als “tempelierenklooster” geduid. In Zierikzee ligt de overdracht van het huis van de in 1274 opgeheven orde van de eksterbroeders aan de predikheren (Oorkonde van 23 februari 1286; OSU IV, 2263) aan de grondslag van het ontstaan van de tempelierenlegende.” (Kloosterlijst; Eliminatielijst. Onder: Zierikzee.)
Drie monografiën uit België
Terwijl in Nederland het onderzoek naar de Tempelorde ineen schrompelde tot onderzoek met betrekking tot èèn enkele commanderiij, een klooster waarover overigens maar weinig bekend is, bloeide dit onderzoek in België. Terwijl bijvoorbeeld in Noord-Nederland slechts èèn monografie verschijnt, die bovendien pleit voor grote terughoudendheid, omdat bijna alles legende blijkt te zijn, verschijnen vanuit Vlaanderen een drietal algemene studies over de Tempelorde, die ieder op eigen wijze proberen door te stoten naar nieuwe kennis en daarbij ook aandacht schenken aan de Tempel in Noord-Nederland . Het contrast kon moeilijk groter zijn.
In 2005 verscheen de studie “De Tempeliers. Huurlingen van de Paus” van de Vlaamse auteurs Yves van Buyten en Willy Vanderzeypen. Het werk onderscheidt zich door de aandacht die geschonken wordt aan de Katharen en aan de wel veronderstelde relatie tussen hun opvattingen en die van de Tempelorde. Het bestaan van een dergelijk verband wordt door de schrijvers met beslistheid van de hand gewezen. Het voor het katharisme zo kenmerkende dualisme levert het stramien voor de beschrijving van de situatie van de middeleeuwse Christelijke kerken. De vrije, vredelievende en zachtmoedige Kathaarse kerk wordt gezien als een expressie van het goede principe. De op macht beluste kerk van Rome ontwikkelde zich daartegenover tot representant van het kwaad. Met de kruistochten kwam haar ware aard aan het licht. De Tempelorde vormde daarbij het noodzakelijke militaire machtsapparaat,.......”huurlingen van de paus”. Met betrekking tot de Tempel in het huidige Nederland wordt gewezen op de bescheiden aanwezigheid van de Tempelorde in Nederland. Deze wordt verklaard uit de sociaal-economische en culturele achterstand, toentertijd. “Het structurele gebrek aan authentieke documenten zal het historisch onderzoek van de\tempelorde in de noordelijke Nederlanden blijven hinderen.” ( pg. 151 )
In 2006 verscheen van de hand van Jan Hosten: “De tempeliers. De tempelorde tijdens de kruistochten en in de Lage Landen”. De auteur streeft in dit werk naar een genuanceerde onbevooroordeelde benadering en waar nodig een herschrijving van de geschiedenis van de Tempelieren, mede op grond van eigen onderzoek. Zoals de ondertitel aangeeft, hij probeert ook een eerste aanzet te geven tot een compleet overzicht van “het tempelierspatrimonium van de Lage Landen”, d.w.z. een overzicht van de goederen in België, Nederland, Noord-Frankrijk en Luxemburg, die in oorsprong puur eigendom van de Tempelorde waren. Uiteraard komt bij dit overzicht, duidelijk tot uiting, dat de aanwezigheid van de Tempelorde in Nederland en de kennis met betrekking tot deze aanwezigheid schamel afsteken bij wat over meer zuidelijke streken bekend is. Bijgaand kaartje, ontleend aan het werk van Hosten, spreekt wat dit betreft duidelijke taal. .
De Tempelorde in de Lage Landen ( Ontleend aan: Hosten. Kaart 7, pg.34. )
Maar: Hosten schrijft ook: “Dat Nederland mindere bedeeld is, klopt niet volledig. In Franse regio’s zoals pakweg de Jura of Savoie, hadden de tempeliers nauwelijks meer bezittingen dan in Nederland. Verder onderzoek naar de bezittingen van de orde in het noorden van de Lage Landen zou meer duidelijkheid kunnen bieden.” ( Hosten, pg. 214.).
In 2007 verscheen van de hand van M. Nuyttens: Krijgers voor God. De orde van de tempeliers in de Lage Landen ( 1120 – 1312 .) De auteur is een autoriteit met betrekking tot de geschiedenis van de Tempelorde. Hier stelt hij zich tot taak een historisch verantwoorde synthese van haar geschiedenis in de Lage Landen te schrijven, met de nadruk op het gebeuren in de landen zelf. Het werk bevat een veelheid aan gegevens met betrekking tot wat zich heeft voorgedaan in Vlaanderen, Artesië, Brabant, Henegouwen en Haspengouw. Wat het huidige Nederland betreft: alleen de commanderij Ter Brake in het Brabantse Alphen met haar aanhang komt aan de orde. Verder overheerst stilzwijgen, ongetwijfeld bij gebrek aan eigentijdse documenten. In vergelijking met het gebeuren in de Zuidelijke Nederlanden en meer nog met dat in bij voorbeeld Frankrijk en Spanje lijkt wat bij ons te melden valt slechts randverschijnselen te betreffen..
Samenvattend: in het algemeen wekt de literatuur de indruk, dat er over de aanwezigheid van de Tempelorde in ons land weinig met zekerheid valt te zeggen en dat, over dat wat er te zeggen valt, geen eenstemmigheid heerst. Na enige aandacht in voorgaande tijden was er in de afgelopen eeuw vanuit Noord-Nederland weinig belangstellIng voor het onderwerp. Men tendeert er naar de opvatting, dat de betrokken aanwezigheid van weinig betekenis is geweest. ( Zie hierover verder: De Tempelorde in de Nederlandse Geschiedschrijving.)
Valt deze
afwezigheid van de Tempelorde of van kennis met betrekking tot de
Tempelorde in Nederland te begrijpen?
Meerdere verklaringen komen in aanmerking:
1. De hiërarchische organisatie van de Orde.
Door sommigen wordt in dit verband een
rol toebedeeld aan het uitgesproken hiërarchisch georganiseerd
zijn van de Orde. Schenkingen werden steeds door de Orde als zodanig
aanvaard. Lokale huizen en hun "meesters” zouden daarom in
de akten veelal niet genoemd worden.
Deze omstandigheid heeft
inderdaad een rol gespeeld. Ze verklaart echter niet alles. Het
argument zou in andere landen evenzeer gelden. Bovendien, de plaats
van de geschonken goederen wordt in documenten doorgaans wel
uitdrukkelijk vermeld.
2. Noord-Nederland een
achtergebleven gebied?
Mogelijk stonden - met name in de twaalfde eeuw, toen de Orde met élan zijn plaats in de "Landen van Overzee" wist in te nemen - onze Lage Landen politiek-economisch-cultureel gezien op achterstand. Waren ze ten opzichte van de omringende gebieden in ontwikkeling achtergebleven? Loonde het de moeite niet, om hen in deze de hele Christenheid diep rakende beweging intensief te betrekken? Bezocht Hugo van Payns daarom bij zijn propagandatocht vanuit Frankrijk in 1129 ons land niet, en Vlaanderen, Keulen en Engeland wel? Preekte Sint Bernard - de grote propagandist en verdediger van de Orde - daarom rond 1148 de tweede kruistocht wel in Keulen en Vlaanderen en - met uitzondering van Maastricht - niet in de Noordelijke Nederlanden?
Waarschijnlijk is iets dergelijks inderdaad het geval geweest:
· - Na het
Verdrag van Verdun van 843 bleven onze streken achter als grensgebied
tussen Oost- en West-Frankenland, afwisselend in bezit van de een en
de ander, ver van de machtscentra, overgeleverd aan de woelingen
veroorzaakt door kleine machthebbers.
-
In de negende en tiende eeuw was dit gebied het doelwit van
strooptochten van de Noormannen. Ook andere kuststreken bleef dit
niet bespaard. Echter, elders - bijvoorbeeld in Normandië,
Engeland en Zuid-Italië - wisten leiders uit het Noorden de
macht in handen te krijgen en een geordende staat op te bouwen met
een eigen mengcultuur. Zo niet in onze streken. Godfried de Noorman,
de enige Viking, die er in slaagde hier een begin van een
heerschappij te vestigen, werd in het jaar 885 in Spijck bij Lobith
door autochtonen om het leven gebracht. Nog in 1010 werden Nijmegen,
Groningen, Staveren, Tiel en Utrecht geplunderd. Na de vele
strooptochten bleef ons land ontredderd achter. Vermeld wordt, dat
men her en der zelfs weer terug viel tot ruwe heidense zeden.
- Rond het jaar 1000 liet bovendien de natuur zich van
zijn vernielende kant kennen. De bronnen spreken van verschrikkelijke
overstromingen, waarbij bijvoorbeeld "de hele Veluwe"
overspoeld werd. Dit was ongetwijfeld niet de Veluwe, zoals deze nu
gekend wordt, maar de omvang van de rampen moet groot zijn geweest.
Wel was, naar tegenwoordig wordt aangenomen, de mens zelf meer dan de
natuur de oorzaak van de ellende. Door ontwatering ter wille van
ontginning, en door turf- en zoutwinning daalde het niveau van veel
veengronden, waardoor de zee de kans kreeg ver het land in te
dringen. Dit neemt niet weg, dat de rampen groot waren en dat veel
aandacht werkkracht en vermogen besteed moest worden aan nieuwe
ontginningen, nieuwe huisvesting, waterbeheersing, enz. Het land was
in die dagen nog niet door gesloten dijksystemen tegen het water
beschermd. Pas in de veertiende eeuw was dat overal het geval.
- Wat in het bijzonder het monastieke leven betrof, dit kwam in onze streken pas laat tot bloei. Tot aan het begin van de twaalfde eeuw waren kloosters hier nog uitgesproken schaars.
Ter illustratie van de
politiek-culturele achterstand in die dagen het volgende:
- In 857 moest de bisschop van Utrecht vanwege de
onzekere toestand in zijn zetelstad uitwijken naar Oost Nederland. Te
bedenken valt daarbij, dat in de na-Romeinse eeuwen bisschoppen niet
alleen op religieus gebied, maar ook wat algemeen-culturele,
politieke en juridische zaken betrof een leidende rol speelden. Het
gezagsvacuüm, dat de Romeinen achterlieten, werd voor een
belangrijk deel door hen opgevuld. Pas ongeveer in 970 keerde
bisschop Balderik naar Utrecht terug.
-
Het Valkhof - het keizerlijk "palacium" van Karel de Grote
te Nijmegen - werd enkele eeuwen lang regelmatig en frequent door
zijn opvolgers bezocht. Talrijke bestuurlijke maatregelen werden van
daaruit getroffen. In troebelen van het jaar 1047 ging de burcht met
omliggende hoeven en dorpen in vlammen op. Ruim een eeuw lang lieten
de Duitse keizers zich nauwelijks meer zien. Pas in 1155 bouwde
Frederik Barbarossa op het Valkhof een nieuwe burcht, en deed hij de
keizerlijke macht in deze gebieden weer gelden.
-
In de twaalfde en dertiende eeuw stegen de Gelderse vorsten
“internationaal” gezien sterk in macht en aanzien. In
1334 huwde Reinald II Eleonora, de zuster van de Engelse koning. Zij
was een vrouw van hoge beschaving en maakte zich verdienstelijk door
de Geldersen wat meer beschaving bij te brengen. Het volk vergaapte
zich aan het toneelspel, dat zij introduceerde. De edelen, inclusief
de graaf, werden tafelmanieren bijgebracht. Het fenomeen “tafeldame”
was hen bijvoorbeeld niet bekend. Voortaan konden ze zich met minder
problemen bewegen in de “internationale” kringen, die
voor hen begonnen open te staan.
3. Schriftelijke stukken van voor 1300 komen in Noord Nederland in het algemeen slechts weinig voor.
Pas na 1300 begint de stroom van oorkonden en andere schriftelijke stukken in de Noordelijke Nederlanden rijkelijker te vloeien. De Tempelorde hield in 1312 op te bestaan. Veel geschreven getuigenissen mogen dus niet verwacht worden.
4. Het relatief laat optreden van de Cisterciënzers.
Bij de verbreiding van de Tempelorde speelde haar relatie met de
Cisterciënzer kloosterorde een belangrijke rol. Bernardus - de
zeer invloedrijke abt van Clairveaux - trad op als inspirator,
verdediger en propagandist van de Tempelieren. Veel Franse adellijke
families onderhielden hechte relaties met deze orde. Voor jongere
zoons uit deze families was intrede zowel als cisterciënzermonnik
en als ridder in de Tempelorde een gerespecteerde
carrièremogelijkheid. Familiebanden over en weer speelden een
grote rol.
In onze streken hebben de Cisterciënzers zich
echter relatief laat gevestigd. Pas in 1165 werd in Friesland het
eerste klooster - “Klaarkamp”- gesticht. In 1218
stichtte Gerard van Gelre in Roermond het eerste Cisterciënzer
klooster in zijn graafschap. In 1255 volgde ‘s Gravendaal bij
Goch, gesticht door Otto van Gelre. Beide abdijen waren
vrouwenkloosters. Mannenkloosters van de Cisterciënzerorde
kwamen in het Gelderse niet tot stand.
5. Geringe
belangstelling in voorbije eeuwen?
De geschiedschrijving en de officiële belangstelling in Nederland hebben eeuwenlang in het teken gestaan van de Hervorming. Voor de historie van kloosterorden en dergelijke en voor de betrokken archieven en relicten bestond op zijn zachtst gezegd minder belangstelling. Dit kan er toe hebben bijgedragen, dat betrokken documenten verloren gingen, dat traditionele kennis wegebde en materiële sporen vervaagden.
6. Documenten in het ongerede geraakt of verduisterd?
Het ontbreken van schriftelijke sporen van de Tempelieren in onze streken kan nog een andere oorzaak hebben. Denkbaar is, dat na de opheffing van de Orde allerlei eigendomsbewijzen min of meer met opzet zijn verdonkeremaand. Waarschijnlijk waren er in die dagen velen, die aasden op de bezittingen van de in opspraak gekomen Orde. Allerlei gegadigden kunnen gebruik, resp. misbruik gemaakt hebben van de onzekere en verwarde situatie en van het gebrek aan krachtig centraal gezag, in onze streken. Het doen verdwijnen van documenten, waaruit in het verleden verworven rechten konden blijken, is dan een eerste stap. Thoben heeft dit bijwijze van hypothese reeds geopperd met betrekking tot de gang van zaken bij de Bijvank in de Liemers. (Zie: Beek in de Liemers en Sittard. Zie ook: Maas en Waal.) Met betrekking tot de eigendommen van de Orde in Bohemen schijnt bijvoorbeeld zondermeer vast te staan, dat dit soort praktijken zijn voorgekomen.
7. Het zwaartepunt van de orde lag in Frankrijk..
Meer in het algemeen geldt, dat de
Tempelorde zijn zwaartepunt vond in Frankrijk. Als gevolg van de
investituurstrijd rond 1100 - waarbij de Romeinse Curie en het
machtscentrum van het Duitse Keizerrijk in een verbitterde strijd
waren verwikkeld - vond de pauselijke oproep tot de kruisvaart in
eerste instantie in de Duitse gebieden minder weerklank. Utrecht,
Holland, Gelre, het Oversticht Friesland en Groningen waren in de
betrokken eeuwen op Duitsland gericht. Ze maakten deel uit van het
Duitse keizerrijk. De bisschop van Utrecht stond indertijd ook
persoonlijk op zeer goede voet met de Duitse keizer.Dit alles maakt
begrijpelijk, dat in Noord-Nederland de Duitse Orde en de
Johannieters meer dan de Tempel op de voorgrond traden. Voor Brabant
en Zeeuws-Vlaanderen gold dit niet.
8. De behoefte bij de
locale geestelijkheid om beslissingsrecht in eigen hand te houden.
De Tempelieren stonden rechtstreeks onder gezag van de paus; aan geen andere autoriteit waren zij onderworpen. Op eigen initiatief konden zij kerken en kapellen stichten, kapelaans benoemen, enz. Zonder tussenkomst van bisschoppen of abten konden zij allerlei beslissingen nemen, zonder aan iemand anders dan de paus verantwoording schuldig te zijn. Lagere gezagdragers voelden zich daardoor soms in hun rechten beknot en verweerden zich. Er zijn tekenen dat iets dergelijks bij Duitse bisdommen – ook bij Keulen en Utrecht – het geval is geweest. Waarschijnlijk ligt hier een van de belangrijkste oorzaken voor het verschil in “tempeldichtheid” in de Noordelijke- en Zuidelijke Nederlanden. De Tempelieren waren bij gezagdragers niet overal even welkom. De bisschop van Utrecht kon in 1307 aan Philips IV meedelen, dat in zijn gebied geen huizen van de Tempelorde te vinden waren! ( Zie hiervoor verder: Wijk en Aalburg over: Oorkonde uit 1157 en Het Einde over: Vienne en over: Pauselijke en bisschoppelijke inquisitie.)
Mogelijk waren er nog andere factoren in het spel. Hoe dit moge zijn, gezien de weinige kennis en de onzekerheid er over, lijkt het niet zonder belang een poging te wagen - voor zover dit nog mogelijk is - sporen van de aanwezigheid van de Tempelorde in Nederland te achterhalen. Dit geldt te meer, omdat allerlei overblijfselen door verkaveling en bebouwing en door de toegenomen mobiliteit van de bevolking hand over hand dreigen te verdwijnen. De Tempelorde was in haar tijd een te boeiende, karakteristieke en invloedrijke organisatie om, voor wat Nederland betreft, ongemerkt nog verder in de nevel te verdwijnen,
Naar welke sporen kan worden uitgezien?
Mede gezien het voorafgaande komen de volgende punten in aanmerking:
Documenten uit de 11de tot en met de 15e eeuw die getuigen
van de aanwezigheid van de Tempelorde in onze streken. Zoals reeds
vermeld, vondsten zullen spaarzaam blijven. In het kader van deze
site kan overigens alleen vermeld worden, wat door historici in dit
opzicht werd gerapporteerd.
2. Schriftelijke vermeldingen van
latere datum.
3. Plaatselijke traditionele kennis.
4.
Toponiemen, waarin op een of andere wijze de term "tempel"
een rol speelt.
5. Volksverhalen en sageachtige
vertellingen.
6. Plaatselijke mariadevotie.
7.
Restanten van bouw- en grondwerken die aan de Tempelridders worden
toegeschreven.
8. Vermelding of afbeelding van dergelijke
bouwwerken of van ruïnes ervan in oudere literatuur.
9.
Aanwezigheid van de Johannieterorde in de 14de eeuw en later.
10.
Door archeologisch onderzoek vrijgelegde grondsporen uit de 12de t/m
de 14de eeuw met kenmerken van een tempelierenvestiging.
11.
Andere archeologische vondsten ( scherven, muurresten, munten,
houtresten, enz. ) uit de betrokken eeuwen.
12. Restanten van visvijvers.
13. Relaties tussen de
betrokken locatie en het toenmalige langeafstandsverkeer.
Het moge duidelijk zijn, dat
alleen vermelding in authentieke documenten uit de betrokken eeuwen
een meer of minder definitief bewijs kan leveren voor de aanwezigheid
van de Tempelorde op een bepaalde locatie. Alle overige sporen zijn
niet meer dan aanwijzingen, vaak zwakke aanwijzingen. Maar cumulatie
van op zich weinig draagkrachtige aanwijzingen kan er toe leiden, dat
er uiteindelijk voor twijfel weinig ruimte blijft .
Verder
Terug
Home