Sporen van de Tempelieren in Nederland - http://www.tempelieren.nl - © Ben Brus 2003-2012
Beek in de Liemers
In Beek in de Liemers vindt men de “Tempelheerstraat”. In feite blijkt dit een straat te zijn uit de jongste tijd. De naam werd in 1970 door B. en W. vastgesteld. De motivering was: het levendig houden van de sage van de Tempelridders, die in de nabijheid van Beek op de Bijvank zouden hebben gehuisd.
De
Bijvank
De Bijvank is een reeds eeuwen bestaand landgoed,
dat op het ogenblik voornamelijk uit bos bestaat. Het staat bekend om
zijn natuurschoon, onder anderen om zijn romantische lanen. Centraal
ligt een jachthuis, dat in zijn huidige vorm stamt van ongeveer 1792.
In het verleden was het goed steeds in handen van adellijke families.
(Thoben, 1999: pg. 736 t/m 740; 843.)
In de nabijheid van het
jachthuis bevindt zich een door een ronde gracht omgeven verhoging,
in de volksmond “Het Kasteel” of “Het Rondeel”
genaamd. Volgens de overlevering zou dit een kommanderie van de
Tempelridders zijn geweest.
In het begin van de negentiende eeuw
werden door de toenmalige bezitter opgravingen verricht. Aangetroffen
werden zware funderingen van een toren, vermoedelijk een eenvoudige
woontoren, een zogenaamde “berchvrede”. Als datering werd
ongeveer 1300 aangehouden. De vindplaats werd weer met zand
toegedekt.
De Bijvank: Deel van de ronde gracht met op de achtergrond de kasteelheuvel (Foto: Lieske Brus-Overman.)
De genoemde
sage vertelt het volgende:
Toen de Tempelorde door toedoen van de
Franse koning in grote moeilijkheden kwam, ging dit aan de ridders
van de Bijvank niet voorbij. Op aandringen van de vorstbisschop van
Keulen hief de bisschop van Utrecht hun kommanderie op. Hun burcht
werd geslecht. Een achttal ridders werd gevangen genomen en op een
wei bij de Bijvank op de brandstapel ter dood gebracht. Tevoren
hadden zij hun goud en zilver in de bossen begraven.
Sindsdien
worden in de lanen van de Bijvank in donkere nachten ridders gezien,
die in een lange stoet op hun paarden geruisloos voortjagen, gehuld
in witte mantels voorzien van een rood kruis. (Thoben, 1983. Thoben
1999: pg.418 en 419; 1329 en 1330. Ook Tinneveld, pg.113.)
Een
feit is, dat er in de zeventiende eeuw in de bossen rond Beek naar
schatten werd gegraven. Processtukken getuigen van een gerechtelijke
strijd om het eigendomsrecht met betrekking tot nog te vinden
kostbaarheden. Voor zover bekend werd er overigens nooit iets
gevonden. (Thoben, 1999: pg.454 t/m 456.)
Historisch
gezien een blinde vlek
Historisch is van de Bijvank
bekend, dat het gebied naar alle waarschijnlijkheid in 1085 als deel
van een in persoonlijk bezit zijnd groter woud - een “foreest”
- door ruil in bezit kwam van de bisschop van Utrecht en nadien
mogelijk in handen van de oudste heren van Bergh. Uit 1361 stamt de
eerste schriftelijke vermelding van de Bijvank. Daaruit blijkt dat
een zekere Bernt van der Wilten eigenaar is van het “vrij eigen
edel goed de Bijvank”. Merkwaardig is, dat over de voorgaande
periode geen enkel schriftelijk gegeven gevonden werd. Dit is juist
de tijd, waarin de Tempelorde heeft bestaan. De sage van de
Tempelridders speelt in een periode, die wat de Bijvank betreft een
blinde vlek is. (Thoben, 1999: pg. 90 en 91; 132 en 133; 397; 406 t/m
416; 429; 840.)
De genealoog-historicus J.Thoben uit
‘sHeerenberg deed uitvoerige en volhardende pogingen deze
leemte te vullen. Echter naar eigen getuigenis heeft hij - ondanks
zijn vele speurwerk in allerlei archieven - geen enkel direct bewijs
voor de aanwezigheid van de Tempelridders op de Bijvank kunnen
vinden. Wel kwam hij, op grond van hetgeen hij vond, tot een
vermoeden met betrekking tot de gang van zaken, tot een
“geschiedkundige hypothese”.
Een
hypothese
Kort samengevat komt deze hier op neer:
Mogelijk op grond van een schenking van de heer van Bergh komen
de Tempelheren in het bezit van het goed De Bijvank. Wanneer in het
begin van de veertiende eeuw de orde opheffing en de individuele
leden vergaande beschuldiging en straf boven het hoofd hangt, kiezen
de bewoners eieren voor hun geld. Zij kiezen een nieuwe naam en een
nieuw beroep en verschaffen zich daarmee een nieuwe identiteit. Ze
ontdoen zich zodoende van een belastend verleden.
De Tempelieren
waren de bankiers van hun tijd. De keuze van het nieuwe beroep lag
daarmee voor de hand: een tweede leven beginnen als rondreizende en
daardoor moeilijk te traceren Lombarden, de geldschieters van die
dagen. De rijke bezittingen van de Bijvank leverden gemakkelijk een
beginkapitaal. Noodzakelijk was wel: het zo goed mogelijk uitwissen
van sporen, met name het vernietigen van alle eigendomsdocumenten.
Thoben wijst op het volgende als grond voor zijn hypothese: In
het archief van het nabij gelegen Huis Bergh zijn een vijftal
schuldbekentenissen uit de jaren 1309 tot 1311 – precies de
jaren, waarin voor de Tempelieren gevangenschap en foltering dreigen
- aanwezig met betrekking tot kortlopende leningen, waarvoor een
drietal uit het niet opduikende Lombarden het geld op tafel leggen.
Thoben betoogt, dat het feit, dat uitgerekend deze
schuldbekentenissen uit die kritieke jaren bewaard bleven - hetgeen
zeer uitzonderlijk is - doet vermoeden, dat ze met opzet bewaard
werden om als alibi te dienen, als bewijs voor het bestaan van
degenen, die zich een nieuwe identiteit hadden aangemeten. De
genoemde Berndt van der Wilten zou dan mogelijk een gewezen
tempelridder zijn, die zich het landgoed de Bijvank op een of andere
wijze persoonlijk wist toe te eigenen.
De heren van Bergh nauw betrokken bij de kruistochten
In dit verband wijst Thoben er op, dat het geslacht Bergh naar zijn oorsprong nauw betrokken lijkt te zijn bij de kruistochten. Hij voert hiervoor meerdere argumenten aan:
- Constantijn, de stamvader van het geslacht, vestigde zich rond 1120 in een woontoren op de hoge burchtheuvel, die nu Montferland wordt genoemd. Deze hoogte wordt in het archief van het Huis Bergh voor het eerst rond 1300 vermeld als “Montferrand”. Voorheen was de naam naar alle waarschijnlijkheid “Uplade”. Montferrand was ook de naam van een kruisvaardersburcht in Syrië, die op zijn beurt vernoemd was naar de Franse stad Clermont-Ferrand , waar in 1095 de eerste oproep van paus Urbanus tot de kruisvaart klonk. Naar “Mont” (= berg ) noemde het geslacht zich “Bergh”.
- Het wapen van het geslacht Bergh heeft duidelijk trekken van dat van een kruisridder: een klimmende leeuw en een schildrand met elf gouden besanten. ( De besant was een gouden munt van Byzantium, de in die dagen in het Oosten gangbare munt.)
- Thoben wijst er op, dat dit wapen van Bergh volkomen gelijk is aan dat van Richard van Cornwall. Het is moeilijk denkbaar, dat dit toeval is, een gemeenschappelijke wortel ligt in de lijn van de verwachtingen. Nu was Richard een Engelse prins, die naar Jeruzalem werd gezonden om er als onderkoning orde op zaken te stellen. Een van zijn voorvaderen was indertijd koning van Jeruzalem geweest. Dat het wapen van Richard wijst op een relatie met de kruisvaart en met het koninkrijk Jeruzalem is duidelijk. Is dit anders voor het wapen van Bergh?
- De naam Constantijn van de stamvader komt in westelijke streken weinig of niet voor. Dit in tegenstelling tot het Oosten: bijvoorbeeld Byzantium of Armenië. Deze Constantijn duikt in onze omgeving plotseling op en weet zich in korte tijd gewaardeerd en verdienstelijk te maken als “advocatus” (zaakwaarnemer) van de bisschop van Utrecht en als maarschalk (legeraanvoerder) voor de aartsbisschop van Keulen. Hij huwt een dochter uit de hoge adel, verwerft een belangrijk grondgebied, bouwt een burcht en vestigt een dynastie.
- Thoben veronderstelt nu, dat Constantijn een mogelijk uit een adelijk geslacht uit het Oosten stammende beroepsmilitair was, die tijdens de derde kruistocht meevocht met de kruisvaarders, vriendschap met hen sloot, en met hen mee trok bij hun terugtocht naar het westen. Hij wist zich hier een plaats te verwerven onder de adel, huwde een dochter uit de Zutphense grafelijke familie, stichtte een burcht op Montverland, enz. enz.
- De gezaghebbende historica J. M.van de Winter ( pg.4.) sloot in hoofdlijn instemmend aan bij deze hypothese van Thoben.
Veel wijst er
op, dat het geslacht van de heren van Bergh van oorsprong nauw met de
kruistochten en mogelijk met het koninkrijk Jeruzalem verbonden is
geweest. Dit maakt schenkingen aan de Tempelridders en latere steun
bij de afwikkeling van de “eigendomsproblematiek” zeer
begrijpelijk. (Thoben, 1999: pg. 113 t/m 119; 420 t/m 423.)
De
genoemde blinde vlek in de geschiedenis van de Bijvank zou met deze
hypothese tevens een verklaring hebben gevonden.
Verdere aanwijzingen voor de aanwezigheid van Tempelridders
Zijn er
behalve de sageachtige overleveringen, de resten van een
kasteelachtig bouwwerk met gracht en een geschiedkundige hypothese
nog andere aanwijzingen voor de aanwezigheid van de Tempelieren op de
Bijvank?
Op het eerste gezicht levert de ligging eerder een
argument tegen. Wat zou het motief kunnen zijn geweest voor de Orde
om zich hier te vestigen? Waar is de weg of de verkeershindernis waar
pelgrims of transporten beveiligd of verzorgd zouden moeten worden?
Gezien de huidige overwegend uit bos bestaande begroeiing is ook niet
direct aannemelijk, dat de Bijvank een landgoed was, dat lucratief
geëxploiteerd kon worden.
Toch is dit mogelijk slechts
schijn die bedriegt.
- 1 - Er zijn tekenen, dat het gebied van de Bijvank in het verleden ooit vruchtbaar akkerland is geweest. Naast het jachthuis was er ook steeds een landbouwbedrijf aanwezig.
- 2 - In de dertiende en veertiende eeuw liep langs Beek een belangrijke ‘internationale” verkeersroute, die, wat dit traject betrof, bovendien door een eenzaam, deels moerassig gebied liep. Hij werd “Karwegh” en “Keulse weg” genoemd. Hij liep vanaf Wehl over de Beker en Eltener Heide naar Elten, Emmerik en verder langs de Rijn naar Keulen, enz.. Elten was in die dagen een belangrijk verkeersknooppunt. In Wehl kwamen een aantal doorgaande wegen uit Noord-Nederland samen, wegen uit Doesburg, Zutphen, Deventer en verderop gelegen streken. In Beek was in die eeuwen aan de Karwegh een tol gevestigd. Na 1400 verloor de weg geleidelijk aan betekenis. De tol is in de zestiende eeuw een zachte dood gestorven. (Van Petersen: pg. 208 t/m 210 en 303.)
Emmerik verdient in dit verband nog nadere aandacht. In deze
stad bestond van ouds her een Tempelstrasze en een Tempelhaus.
Het Tempelhaus was een statig door adelijke families en bestuurlijke
instanties bewoond gebouw met een opvallende “Zwiebelturm”.
In de laatste wereldoorlog ging het gebouw definitief verloren. Een
in de stad hardnekkig levende traditie wil, dat het Tempelhaus
indertijd aan de Tempelorde toebehoorde. Toen deze in 1312 werd
opgeheven zouden de ridders in èèn nacht spoorloos zijn
verdwenen. In verband met deze sage komt in de geschiedschrijving van
Emmerik ook het tempelhuis op de Bijvank ter sprake. Tussen beide
huizen zou intensief contact hebben bestaan. De weg naar de Bijvank
werd in Emmerik “Op den Tempel” genoemd.
In
1667 werd deze traditionele opvatting door de Emmerikse
geschiedschrijver Wassenberg (Wassenberg, 1667) tot misvatting
bestempeld. De aanwezigheid van Tempelridders in Emmerik achtte hij
zelfs uitgesloten. Het Tempelhaus werd aantoonbaar pas in 1528
gebouwd, het kon dus onmogelijk in het bezit van de Tempelorde zijn
geweest. Ook was in de archieven geen enkele vermelding van de
aanwezigheid van de Tempelheren in Emmerik te vinden. Het Tempelhaus
zou zijn naam mogelijk gekregen hebben, omdat het ooit als
gemeenschappelijke woning diende voor de geestelijkheid, die aan de
als “templum” bekendstaande paochiekerk verbonden was.
Meerdere auteurs (o.a. Pelzer; Hausnamen. pg. 13 ) namen
de zienswijze van Wassenberg over. Op het ogenblijk schijnt het de
algemeen aanvaarde te zijn. De vraag dient gesteld, of deze opvatting
niet vanuit een te eng plaatselijk perspectief tot stand is gekomen
en of de Tempelheren indertijd toch niet echt in Emmerik gevestigd
waren, zoals de traditie wil. Zie hiervoor verder: Toch
Tempelridders in Emmerik?.
Hoe dit zij, de ligging van de Bijvank vormt zeker geen argument
tegen de aanwezigheid van de Tempelheren. Het tegendeel is waar. Een
eventuele vestiging zou een strategische plaats in het toenmalige
wegennet hebben ingenomen.
- 3 - Op het kasteelterrein komt
behalve de ronde gracht nog een lange rechthoekige vijver
voor. Was dit in de dagen van de Tempelridders een visvijver met het
rantsoen voor de komende en gaande man?
Bijvank: Resten van een visvijver? (Foto Lieske Brus-Overman)
Samengevat:
er zijn aanwijzingen, dat op de Bijvank inderdaad een commanderie van
de Tempelridders was gevestigd. Het bewijs moet nog geleverd worden.
Mogelijk geeft toekomstig archeologisch onderzoek meer zekerheid.
Literatuur:
Dederich, A.: Annalen der Stadt Emmerich. Emmerik, 1867. (Repr. Duesseldorf , 1971.)
Evers, H.: Straszen in Emmerich. Koeln, 1977.
Goebel, F.: Emmerich einst und jetzt Emmerich. 1934.
Pelzer, Cl.: Emmerich im 19. Jahrhundert Emmerich 1985.
Die Hausnamen in Emmerich. In: Beitraege zur Geschichte der Stadt Emmerich. No. 9.
Petersen, J.W. van: Reizen is Tol betalen. De verkeersontwikkeling in en om het gebied van Rijn en IJssel tot de Bataafse omwenteling van 1795. Uitg.: Fagus. Aalten. 2002. ISBN 90-70017-63-6.
Thoben, John : Vette kluif voor archeologen: Tempeliersburcht in de Bijvank te Beek??? In:Old Ni-js: Lijfblad van de Heemkundekring Bergh. (1983 ).
Het Kerspel Beek in de Liemers. Speurtochten in de geschiedenis. Uitg.: Stichting voor genealogie en geschiedenis tussen Rijn en IJssel. ‘s Heerenberg. 1999. I.S.B.N. 90 -805088-1-0.
Sporen van de kruisridders in Bergh? In: Old Ni-js: Lijfblad van de Heemkundekring Bergh.
Tinneveld, A. ( Samenst. ): Vertellers uit de Liemers.. Wassenaar. 1976.
Wassenberg, E.: Embrica sive urbis Embricensis. Kleve, 1667. (Vertaling: R. Reis Emmericher Forschungen. Band 5, 1953; Band 6, 1984.)
Winter,
J.M. van Waar
kwam Godschalk de Kruisvaarder vandaan ?
Lezing
op het Kruistocht-Congres in 2004 te Istanboel.