Sporen van de Tempelieren in Nederland - http://www.tempelieren.nl - © Ben Brus 2003-2012 



Een Tempelhuis te Trajectum dat fungeerde als bank

 

In 1723 publiceerde J.F.Foppens een indertijd door Albertus Miraeus reeds uitgegeven verzameling oude documenten onder de uitvoerige titel: Auberti Miraei cathedralis ecclesiae Antverpensis decani Opera diplomatica, et historica, in quibus continentur chartae fundationum ac donationum piarum, testamenta, privilegia, foedera principum, & alia tum sacrae tum profanae antiquitatis monumenta.

Op pagina 436 van Deel I wordt de volgende schuldbekentenis uit 1269 weergegeven: ( Het opschrift en de noten behoren niet tot de oorspronkelijke tekst. Het zijn kennelijk toevoegingen van Miraeus)

 

        

 

In hoofdlijnen komt de inhoud neer op het volgende:

 Arnoldus, Heer van Wesemale, geeft openlijk te kennen honderd marken schuldig te zijn aan de Eerwaarde Heren Deken en leden van het Kapittel van de Hoofdkerk van Trajectum op grond van een in het verleden gesloten overeenkomst en van door hen voor hem, Arnoldus, gedane uitgaven. Deze schuld zal namens hem tijdens het eerstkomend Kerstfeest te Trajectum voldaan worden door de Broeders van het Huis van de Tempel.

Arnoldus belooft voorts over enkele maanden, na het eerstkomend feest van Allerheiligen, aan deken en kapittel een schrijven van de Tempelbroeders te zullen overhandigen met hun toezegging het door Arnoldus verschuldigde bedrag te voldoen. Mochten door een of andere omstandigheid de Broeders daartoe niet in staat zijn, dan rust de volle verplichting voor de betaling van het volledige bedrag op hem, Arnoldus. Hij acht zich daaraan onder ede gebonden.

Arnoldus van Wesemale

Het geslacht Van Wesemale was een vooraanstaande adellijke familie in het toenmalige Brabant. Zeker twee Arnoldussen zijn bekend: vader en zoon. Beiden vervulden belangrijke staatkundige en militaire functies aan het hertogelijk hof. De zoon was maarschalk van Brabant. Hij mengde zich gewapenderhand in een interne strijd in het hertogdom. ( H. van der Horst: Geschiedenis van Brabant, Nijmegen, 1983. Deel I, pg.159 – 162 ) Hij keerde zich daarbij tegen de regerende hertogin. In 1267 kwam een vrede tot stand, waarbij Arnoldus weer in genade werd aangenomen. Niet lang daarna trad hij te Leuven toe tot de Tempelorde. Dit is dus in de tijd, waaruit de oorkonde stamt. Arnoldus bracht het nadien ver en werd een man van grote invloed. Hij vervulde diplomatieke diensten voor meerdere Europese vorsten. Hij overleed in 1291.( M. Nuyttens: Krijgers voor God. De orde van de tempeliers in de Lage Landen 1120 – 1312. Leuven/Zutphen, ( 2007 ), pg. 165 en 166.)

Deze zoon Arnoldus is, naar het zich laat aanzien, degene, van wie de oorkonde uit 1269 stamt. Hij was commandeur van een provincie van de Tempelorde. In die hoedanigheid wordt zijn naam later genoemd bij de verhoren tijdens het proces. Hij zou bij de aanname van ordeleden de aanstootgevende godslasterlijke gedragingen hebben verlangd .

Welke rol speelden hier “de Broeders van het Huis van de Tempel”?

De Tempelieren waren geen partij bij de aflossing van de schuld. De partijen waren enerzijds Arnoldus persoonlijk en anderzijds Deken en kapittel. Klaarblijkelijk ging het om een schuld van Arnoldus van voor het tijdstip waarop hij toetrad tot de Tempelorde. Bij de opname moest een noviet plechtig verklaren vrij te zijn van schulden. Mogelijk werd de schuldbekentenis juist opgesteld, omdat Arnoldus voor zijn intrede orde op zaken moest stellen.

Al zijn ze geen partij, toch worden de Broeders expliciet in de schuldbekentenis vermeld, te weten in de rol van tussenpersoon, als het ware als doorgeefluik. Ook wordt in het vooruitzicht gesteld, dat ze zich schriftelijk garant stellen voor de uitbetaling van het bedrag in kwestie. In die tijd was het niet ongewoon, dat belangrijke financiële transacties plaats vonden in een huis van de Tempelridders en onder hun toeziend oog. De redenen hiervoor waren de volgende: een Tempelhuis was een betrouwbare en veilige plaats, geldelijke middelen en financiële deskundigheid waren aanwezig en betrouwbare getuigen waren er steeds beschikbaar. Het was een van de wijzen, waarop de tempelhuizen functioneerden als bank. Er waren meer vormen. Misschien speelden die hier ook een rol. Mogelijk had een of hadden beide partijen er bijvoorbeeld een soort rekening-courant lopen. Uit de tekst blijkt dit niet. Duidelijk is wel, dat Tempelbroeders hier een rol vervulden van bankier. Blijkbaar deden ze dit niet in dit geval alleen. Het was vertrouwde routine. Immers, zonder enige toelichting of motivering werden de broeders in deze rol in de tekst geïntroduceerd.

  Welk Trajectum?

De tekst zegt, dat het geldbedrag in Trajectum door de broeders van het Huis van de Tempel zal worden overgedragen. Strikt genomen wordt niet gezegd, dat dit huis zelf ook in Trajectum gezocht moet worden. Het lijkt echter uitgesloten, dat in een formeel juridisch stuk als deze schuldbekentenis opzettelijk onbepaald zou zijn gelaten, welk van de vele Tempelhuizen hier bedoeld is. Als vanzelfsprekend moet zijn aangenomen, dat het hier een Tempelvestiging in Trajectum betrof.

Indertijd was sprake van een Trajectum ad Rhenum (Utrecht) en een Trajectum ad Mosam (Maastricht). Welk werd hier bedoeld?

Spontaan denkt men aan Utrecht. Ook Miraeus heeft dit blijkbaar gedaan. In zijn opsomming van vestigingsplaatsen van de Tempelorde in noot 3 vermeldt hij als eerste Ultrajectum, terwijl Maastricht zelfs niet genoemd wordt. (Bij de Duitse Orde vermeldt hij zowel een huis in Utrecht als in Maastricht!) Bovendien, in zijn opschrift schrijft hij: “Cathedrale Ultrajectinum”. In Maastricht was destijds geen kathedraal te vinden, in Utrecht wel. Echter: de oorkonde zelf spreekt niet van een kathedraal maar van de ‘major Ecclesia Trajecti’. Maastricht kan dan niet bij voorbaat worden uitgesloten.

Zowel de kapittelkerk als ook het Tempelhuis zijn in een Trajectum gelegen. In principe is het nog denkbaar, dat dit niet hetzelfde Trajectum zou zijn. Het is echter moeilijk aan te nemen, dat een schuld betaalbaar wordt gesteld in de ene stad, terwijl de schuldeiser in een andere stad gevestigd zou zijn. Het kapittel en het Tempelhuis zullen dus in hetzelfde Trajectum gezocht moeten worden. Was het Utrecht of was het Maastricht?

Het geslacht Wesemale stamt uit Zuid-Nederland, o.a. Leuven wordt in dit verband genoemd. Arnoldus is Maarschalk van Brabant. Voor de hand liggen dan financiële relaties beneden de rivieren. Ook de uitdrukking van de schuld in Keulse valuta wijst in zuidelijke richting. Dit pleit voor Maastricht.

In Utrecht is nooit sprake geweest van een vestiging van de Tempelorde. Guido van Avesnes, bisschop van Utrecht bericht in 1307 aan de Franse koning, dat in zijn gebied geen huizen van de Tempelorde voorkomen. (J.Schwalm: Reise nach Frankreich und Italien im Sommer 1903. In: Neues Archiv der Gesellschaft für ältere deutsche Geschichtskunde. XXIX (1904). Berlin, 1903. pg.635.) Utrecht komt hier dus niet in aanmerking. Miraeus is wat dit betreft abuis. Hier staat tegenover, dat in Maastricht een hardnekkige traditie spreekt van een belangrijke Tempelvestiging. De plaats ervan wordt nog aangewezen. Indertijd werden daar ook omvangrijke fundamenten gevonden. Eveneens is er sprake van bancaire activiteiten van de Tempelorde. De Muntstraat zou er mogelijk zijn naam aan ontlenen. (Zie verder: Maastricht.)

Zo gezien is de keus tussen Utrecht en Maastricht niet moeilijk. Het Trajectum, waar de schuld zal worden afgelost en waar het hier bedoelde Tempelhuis gelegen is, is blijkbaar Maastricht.

(Een andere interpretatie van dit aspect van de tekst gaven overigens H.Hardenberg in: “De Ondergang van de Tempeliersin: “Johanitter Orde in Nederland, 14de Jrg, nr.56A, Juli, 1963 en A.A.Streefland in “Tempeliers in Brabant, De Commanderij Ter Brake bij Alphen. In: “Jaarboek van de Geschied- en Oudheidkundige Kring van Stad en Land van Breda “De Oranjeboom”. Jrg. 1979-1980, pg. 144.) Is hun interpretatie de juiste, dan rijst wel de vraag: bestond er een tot nogtoe onbekend huis van de Tempelorde in Utrecht?

In de vorige eeuw werd door meerdere auteurs de aanwezigheid van een huis van de Tempelorde in Maastricht sterk in twijfel getrokken. Hun argument was, dat een uit de middeleeuwen stammende schriftelijke vermelding ontbreekt. Met het aantreffen van de schuldbekentenis van Arnoldus van Wesemale uit 1269 is hierin verandering gekomen.

Aangenomen mag worden, dat in Maastricht een huis van de Tempelorde heeft bestaan, dat ook als bank heeft gefunctioneerd..

 

 

Verder                   Terug                   Home