Sporen van de Tempelieren in Nederland - http://www.tempelieren.nl - © Ben Brus 2003-2012
Het Land van Maas en Waal.
Was de Tempelorde er opvallend actief?
1. Een bijzondere situatie?
Zoals uit onderstaand kaartje moge blijken, in en rond Het Land van Maas en Waal doet zich een opvallende verdichting voor van toponiemen met een element “tempel”. In een gebied van 20 x 20 kilometer werden acht locaties gevonden,die “verdacht” kunnen worden van een relatie met de Tempelorde. In de rest van Nederland - naar oppervlak ten minste vijftig maal zo groot - werden er tot nog toe slechts een tachtigtal gevonden. Bij eenzelfde dichtheid zouden dit er enkele honderden moeten zijn. Is dit veelvuldig voorkomen enkel toeval, of was er in het Land van Maas en Waal iets bijzonders aan de hand?

1. In Bergharen de boerderij Den Kloosterhof. (In Bergharen komt geen toponiem met “tempel” voor. Het is om andere redenen “verdacht”.)
2. In Beuningen de hofstede Den Olden Tempel en de boerderij De kleine Tempel aan de Tempelsestraat.
3. In Hernen de boerderij De Templet met het grondstuk De Tempel.
4. In Leeuwen de boerderijen De Tempel en De Vorstkamer.
5. In Linden het grondstuk Het Tempelierenklooster.
6. In Neerbosch het buiten De Tempel.
7. In Ochten het veerhuis De Tempel en het grondstuk De Tempel.
8. In Overasselt het veerhuis De Tempel,de Tempelstraat en het Tempelse veer.
In al deze gevallen werden aanwijzingen gevonden, dat de Tempelridders er mogelijk op een of andere wijze actief zijn geweest. Bij elk kunnen, wat dit betreft, ook vraagtekens geplaatst worden. Soms is er weinig ruimte voor twijfel, zoals bij Beuningen, Overasselt en Linden. In andere gevallen zijn de aanwijzingen maar zwak, zoals bij Neerbosch en Ochten.
2. Overeenkomsten.
Merkwaardig is, dat deze locaties, naast de term “tempel” in hun naam, nog andere overeenkomsten vertonen.
- a. Ze zijn alle van oude datum. Over hun begin is niets bekend.
- b. Ze liggen op een plaats, die in de dertiende eeuw - toen de dijkgordel nog niet gesloten was - vrij was van wateroverlast. Ze liggen of op hogere zandgronden of op een oeverwal. Door deze ligging kon hun omgeving uitgangspunt zijn voor de ontginning van lager liggende gebieden. Verkavelingpatronen wijzen er nu nog op, dat iets dergelijks inderdaad heeft plaats gevonden.
- c. Ze liggen aan rivieren en aan oude wegen. Bijgevolg liggen ze veelal daar, waar wegen en waterstromen elkaar kruisten, dus daar waar overlandreizenden een rivier moesten oversteken. (Zie verder hieronder: 4 en 5.)
3. Gaat het hier inderdaad om plaatsen waar de Tempelorde actief was?
Het is wat veel van het goede om de genoemde overeenkomsten alle aan het toeval toe te schrijven. Er moet een verklaring voor zijn. Een voor de hand liggende is, dat we hier inderdaad, met vestigingsplaatsen van de Tempelorde te doen hebben, of tenminste met plaatsen waar de Tempelorde op een of andere wijze aanwezig is geweest.
De Orde was inderdaad actief in de dertiende eeuw. In het begin van de veertiende eeuw - toen de dijkgordel gesloten werd - hield ze op te bestaan. Voor haar vestigingen was ze dus aangewezen op niet door het water bedreigde plaatsen. Ontginning en drooglegging van moerassen worden sterke punten van de Orde genoemd. Voorts: het beschermen van, en het verlenen van hulp aan pelgrims en reizenden in het algemeen beschouwde zij als een hoofdtaak.
Niet alleen de genoemde regelmatigheden, maar ook de verdichting van de lokaties rond Maas en Waal wordt met deze aanname begrijpelijk. Maas en Waal was , vòòr het in het begin van de veertiende eeuw door een gesloten dijk beschermd werd, een moeilijk toegankelijk gebied. Meanderende rivieren, vlechtende strangen, grillige binnenrivieren en moerassen, dit alles met wisselende waterstanden, bepaalden het landschap. Groepjes bewoners leefden er geïsoleerd op zandopduikingen en oeverwallen, buiten het bereik van vorsten en andere gezagdragers. Het was een praktisch niet te nemen hindernis voor verkeer tussen de zuidelijk en noordelijk ervan gelegen hogere gebieden. Voor wie zich tot taak stelde reizigers bij te staan, wegen te beveiligen, eigen legertransporten te verzorgen, moerassen droog te leggen, woeste grond te ontginnen, landgoederen te exploiteren, enz. lag er het nodige pionerswerk te wachten.
4. Een pelgrimsroute van Utrecht door het Maasdal naar het Zuiden?
Gezien de ligging van de locaties lijkt het vermoeden gerechtvaardigd, dat de Tempelridders zich het lot hebben aangetrokken van reizigers, die gebruik wilden maken van een weg door Maas en Waal over de zandrug, die zich uitstrekt van Horsen naar Heumen. Deze weg zal deel hebben uitgemaakt van de pelgrimsroute van Utrecht door het Maasdal naar het Zuiden. De reeks van mogelijke steunpunten van de Tempelorde langs deze route spreekt duidelijke taal. Vanaf Utrecht vinden we achtereenvolgens: De Bilt, Rijsenburg, Ochten met een veer over de Waal, Bergharen met een veer of voord over een binnenrivier, Hernen eveneens met een veer of voord over een binnenrivier, Overasselt met een veer over de Maas, Linden bij het zelfde Maasveer, en tenslotte Oeffelt aan het begin van de oude Romeinse weg naar het zuiden langs de linker Maasoever.
Commanderij van de Johannieter Orde in Ingen, getekend door Jan de Beijer in 1750. ( R.P.K.Amsterdam )
In deze reeks ontbreekt een steunpunt bij een oversteekplaats aan de Nederrijn. Het in aanmerking komend veer ligt nu bij Ingen. In deze plaats bevond zich eeuwenlang een commanderij van de Orde van St.Jan. ( R.de Beaufort en H.v. d. Berg, pg. 310 en 311; Beresteyn, pg. 44 – 46; Hoefer en Van Veen, pg. 308 - 315 ). Klaarblijkelijk was dit huis van de Hospitaalridders het nog ontbrekende steunpunt .
In documenten wordt deze commanderij te Ingen voor het eerst genoemd in 1317, dus toen de Tempelorde reeds was opgeheven. Uit de betrokken formulering blijkt echter, dat deze vestiging al langer bestond. Het is niet uitgesloten dat het van oorsprong een huis van de Tempelorde is geweest, dat dan volgens pauselijk voorschrift bij de liquidatie van de Orde in 1312 aan de Hospitaalridders werd overgedragen. Voor de hand liggend is dit echter niet. Al in 1248 werd het patronaatrecht over de dorpskerk van Ingen geschonken aan de Johannieters in Utrecht. De relatie tussen Ingen en de Hospitaalridders was in 1317 dus al van oudere datum. Hoe dit moge zijn, bij alle vijf rivierovergangen in de veronderstelde pelgrimsroute vinden we aanwijzingen voor een steunpunt van een ridderorde. Het is meer dan aannemelijk, dat de ridder/monniken indertijd langs deze route pelgrims behulpzaam zijn geweest bij het oversteken van de rivieren .
Hoe aannemelijk het bestaan van deze pelgrimsweg moge zijn, het blijft een veronderstelling op grond van het gevonden kaartbeeld. De gevolgde redenering zou aan kracht winnen, wanneer onafhankelijk hiervan zou blijken, dat deze weg in de dertiende eeuw werkelijk heeft bestaan.
Aanwijzingen hiervoor zijn inderdaad aanwezig,
Bij een opgraving 500 meter ten zuiden van de boerderij De Templet in Hernen (Reijnen en Wildenberg, pg.15, 21, 22) werden sporen gevonden van een Romeinse weg. Tekenen wezen er op, dat deze weg in de middeleeuwen nog in gebruik was. Ze liep vermoedelijk langs de plek, waar nu de boerderij DeTemplet ligt. Door de betrokken archeologen werd ze geïnterpreteerd als de door Willems (pg.67 en 69.) veronderstelde Romeinse weg over de rechter oeverwal van een Maastak (het Wijchens Maasje). Deze weg kwam uit de richting Heumen. Hiermee is het traject van Heumen/Overasselt tot Hernen van de veronderstelde pelgrimsweg gevonden
Aangenomen wordt, dat de weg bij Ingen de Rijn passeerde en daar aansluitng bood aan de grote heerweg van Utrecht naar Keulen. Tegenwoordig ligt bij Ingen inderdaad een veer. Voorheen – vòòr 1400 - lag het even stroomopwaarts. Het verbond Remmerden en Verhuizen. Vermoedelijk was daar een doorwaadbare plaats. Het was een belangrijke oversteekplaats. Een getuige verklaarde later - in 1465 - : “dat men te Verhuzen placht over te varen myt wagen, mit peerden, mit punten, mit swindels ende andere schepen”. (J. pg260.) Van Verhuizen liep en loopt nog steeds een weg rechtstreeks naar de voormalige Johannietercommanderie te Ingen. Ook het andere eind van de veronderstelde middeleeuwse weg door Maas en Waal is daarmee gegeven.
Mede gezien deze aanwijzingen is het volstrekt redelijk om aan te nemen, dat deze weg inderdaad heeft bestaan, maar strikt aangetoond is dit niet. Vooralsnog blijft het bestaan ervan hier nog als hypothetisch aangemerkt.
5. De Koningstraat.
De Koningstraat is een aloude weg door Maas en Waal, lopend van Tiel naar Nijmegen, over de oeverwallen aan de zuidzijde van de Waal. Ze volgt min of meer het tracé van een op de Peutingerkaart aangegeven Romeinse weg. In de Karolingertijd werd ze waarschijnlijk opnieuw aangelegd. Het was eeuwenlang de enige “heerweg” in Maas en Waal. Ook hier vinden we onderling min of meer op een dagmars afstand een viertal steunpunten van de Tempelorde. Vanaf Tiel trof een reiziger achtereenvolgens: “De Tempel” bij Leeuwen; “De Tempel” bij Ochten (Deze vestiging lag in der tijd aan de zuidzijde van de Waal, dus in Maas en Waal; de Waal nam sindsdien een andere loop.), “Den Olden Tempel” bij Beuningen en “De Tempel” in Neerbosch. Mogelijk werden bij deze locaties veerdiensten over de Waal onderhouden en waren er aanlegplaatsen.
Vermeldenswaard is hier, dat ook de Duitse Orde langs de Koningstraat vestigingen kende. In Tiel bevond zich een belangrijke commanderij. Vlak voor Nijmegen lag haar burcht.Schalunenberg ( F.Gorissen. Pg. 153 – 155 en J.Raeven. Pg.45 en 46.) genoemd naar Askalon of Scalona. Deze stad in Palestina werd herhaaldelijk door de kruisvaarders veroverd en weer prijsgegeven. In de negentiende eeuw was de in De Biezen gelegen herberg ”Salaadben” waarschijnlijk nog een laatste restant van deze burcht. Zoals bekend, de derde grote ridderorde, de Johannieterorde, was gevestigd in de stad Nijmegen zelf, in de nog bestaande “Kommanderie van St.Jan” .
6. De Tempelorde was pregnant aanwezig in Maas en Waal.
Gezien bovenstaande feiten en regelmatigheden lijkt het verstandig aan te nemen, dat in de dertiende eeuw - en mogelijk al eerder - de Tempelorde in Maas en Waal op een pregnante wijze aanwezig is geweest. Over elke afzonderlijke locatie kan men twijfelen, maar, zolang geen betere verklaring is gegeven voor het gevondene, mag voor Maas en Waal als geheel worden aangenomen, dat de Tempelorde er indertijd op een of andere wijze duidelijk aanwezig is geweest. Wanneer na zeven eeuwen de naam “Tempel” zich zo heeft weten te handhaven, dan moet ze indertijd de omwonenden sterk hebben aangesproken.
7. Aangenomen dat dit zo is, dan rijst wel een probleem.
Als de Tempel in de dertiende eeuw in Maas en Waal inderdaad zo duidelijk aanwezig is geweest, waar zijn dan na de opheffing in 1312 de betrokken personen en de eigendommen gebleven? Buiten de hier genoemde namen met de term “tempel”, enkele grondsporen en een handvol volksverhalen is niets ervan terug te vinden. Met name in de archieven ontbreekt elk spoor.
De opheffing van de Tempelorde was een uitermate dramatisch gebeuren. Als de Tempel in Maas en Waal zo pregnant aanwezig is geweest, dan moet de liquidatie ervan grote beroering hebben gewekt. Ook moeten belangrijke verschuivingen in de bezitsverhoudingen hebben plaats gevonden. Weliswaar zijn schriftelijke stukken van voor 1300 niet dik gezaaid, maar vanaf de veertiende eeuw zijn ze niet bepaald zeldzaam. Hoe is het mogelijk, dat er in deze documenten geen enkele weerklank van dit alles te vinden is? Zelfs de naam Tempel of Tempelier wordt er nauwelijks of niet aangetroffen. Vanwaar die stilte? Valt dit te begrijpen?
8. Waar bleven de eigendommen van de Tempelorde?
Volgens de pauselijke beslissing dienden alle eigendommen van de Tempelorde te worden overgedragen aan de Orde van St. Jan. Op die manier zouden ze beschikbaar blijven voor de strijd in Het Heilig Land. Van een overtuigende aanwezigheid van de Johannieters in Maas en Waal na 1312 is echter niets gebleken.
Wel valt op, dat in de eerste helft van de veertiende eeuw twee cisterciënzer abdijen - Gravendaal en Camp - in Maas en Waal plotseling opvallend veel grond verwerven.’( Zie bijvoorbeeld: Gemeente Overasselt. Pg 26 en 29.) Dit verschijnsel staat niet op zich. In de eerste helft van de veertiende eeuw is er een algemene trend, dat kloosters hun grondbezit sterk uitbreiden door aankoop. Deze golf van eigendomsverwerving hangt samen met de sociaal-economische ontwikkeling rond 1300, te weten: het verdwijnen van de horigheid, de opkomst van steden en van de daarmee gepaard gaande markteconomie. ( Van Bavel, pg. 208 t/m 226 .)
Ook in de voorafgaande eeuw hadden beide abdijen in Maas en Waal landerijen in bezit, maar rond 1320 vindt via schenking en aankoop een ongewoon groot aantal eigendomsoverdrachten plaats. In de vijftiende eeuw blijkt het klooster Gravendaal bijvoorbeeld rondom Druten over 45 “halve hoven” te beschikken, ( Van Heiningen. Pg 127. ) d.w.z. boerderijen, waarvan de pachter de helft van zijn oogst diende af te staan aan de abdis. In de betrokken akten wordt de Tempel nooit genoemd. Zou het toch kunnen zijn, dat zich onder deze landerijen tempelgoederen hebben bevonden? Kan het zijn, dat langs die weg eigendommen uit handen van de Orde van St.Jan werden gehouden, om over de revenuen ervan zelf te kunnen beschikken ?
Een aantal punten vraagt in dit verband de aandacht.
a. Tussen de Tempelorde en de Cisterciënzerorde bestonden zeer nauwe relaties. Het waren als het ware loten aan een zelfde stam. Deze relaties gingen al terug tot de tijd van Bernard van Clairveaux. Sindsdien waren ze alleen maar versterkt door talrijke persoonlijke en familiale banden.
b. De betrokken koopcontracten vertoonden soms merkwaardige trekken. Het kwam voor, dat de namen van de verkopende partij en van de verkochte gronden niet vermeld werden. Soms werd het verkochte goed door de vroegere eigenaar onmiddellijk weer gepacht. Hij bleef er op wonen of bleef het beheren. De identiteit van de verkoper was niet steeds duidelijk. Hoewel het soms gegoede families betrof, vertrokken deze uit Maas en Waal, of verdwenen na een of twee generaties zelfs spoorloos uit de geschiedenis. Onder de verkopers bevonden zich opvallend veel geestelijken. Enz.
c. De Gelderse grafelijke familie onderhield zeer nauwe relaties met de twee abdijen. Gravendaal was door een Gelderse graaf gesticht. Meerdere leden van de familie vonden er hun laatste rustplaats. Bovendien lag in Maas en Waal belangrijk grondbezit van de graaf. Deze had er groot belang bij, dat landerijen in Gelre niet in handen kwamen van een autonome en “internationale” instantie zoals de Johannieter Orde, en dat opbrengsten uit deze goederen niet wegvloeiden naar elders. Werden de intensieve relaties met de abdijen misschien niet alleen onderhouden met het oog op het eeuwig heil van de grafelijke familie, maar speelden ook meer tijdelijke dynastieke belangen een rol? Het heeft er alle schijn van, dat in Maas en Waal door een samenspel van de graaf en de twee met hem verbonden abdijen een groot gebied gereserveerd werd, waar elke andere grootgrondbezitter uit geweerd werd. ( Zie verder hieronder: de “Insula Dei politiek” van graaf Reinoud I. ) Dit gebied vormde een onbedreigde basis voor de grafelijke macht. Hele dorpen - bijvoorbeeld Deest, Bergharen, Hernen, Leur en Nederasselt - waren in handen van de twee kloosters. De Orde van St.Jan paste niet in een dergelijke opzet. Wanneer de Gelderse Reinouds zich inderdaad uit eigenbelang op een dergelijke wijze gemengd hebben in de aangelegenheden van de Tempelorde, dan was dit in ieder geval een meer humane manier, dan die waar Filips IV van Frankrijk zich van bediende.
d. Van ouds leeft in Maas en Waal een sterke devotie tot Maria. De kerk van Leur – de moederkerk van het gebied - is een Mariakerk. Ook de dochterkerk in Bergharen was een Mariakerk. Op de Molenberg aldaar stond een uit het begin van de veertiende eeuw stammende kapel gewijd aan “Onze Lieve Vrouw ter Nood Gods” en aan Bernard van Clairveaux. ( L.van den Heuvel. Pg. 8 t/m 11. Voor een uitvoerige literatuuropgave zie: “Bergharen” in de databank: “Bedevaartplaatsen”van het Meerten-Instituut ) Later was deze kapel en de nabij gelegen Molenberg eigendom van de cisterciënzer abdij van Camp. Nog steeds is deze heuvel een centrum van volkse Mariadevotie. Aan de parochiekerken van Over- en Nederasselt waren vicariën van “O.L.Vrouwe” verbonden. Het klooster Holtmeer bij Bergharen lag op de Mariaberg”. In de kerk te Leur werd een muurschildering aangetroffen van Maria en Bernard van Clairveaux.
Nu kenden de Tempelridders een bijzondere verering voor hun “Hemelse Vrouwe”.Ook St.Bernard - de grote verdediger van de Tempelorde en de opsteller van haar regel - was een fervente vereerder van Maria. Ligt bij de Tempelieren de oorsprong van de Mariaverering in Maas en Waal? Traditioneel wordt deze oorsprong bij de cisterciënzers van Camp gezocht, maar de verwantschap tussen de twee ordes is groot. Overigens, het is wel een merkwaardige gedachte: een volkse Mariadevotie in Maas en Waal, die een verre echo zou zijn van de vrouwencultus in de traditie van de troubadours, bemiddeld via de gesublimeerde vorm, die de Tempelridders er aan gaven!
Samenvattend: de opvatting, dat de cisterciënzer abdijen van Gravendaal en Camp in Maas en Waal als grondeigenaren ( en zielzorgers ) min of meer in de voetsporen zijn getreden van de Tempelorde, lijkt voorlopig goed verdedigbaar.
9. Het lot van de personen.
Tot zover de eigendommen. Hoe kan het de betrokken Tempelieren zelf zijn vergaan?
Vooraf dient te worden opgemerkt, dat het hier ongetwijfeld niet ging om een groot aantal personen. Volgens het gebruik in de Tempelorde behoorden weerbare mannen thuis in het Oosten. In Maas en Waal mogen slechts verwacht worden: enkele ordeleden belast met beheer- en bestuurtaken, een aantal “kapelaans” werkzaam in de zielzorg, en enkele oude leden in ruste; bij elkaar hooguit enkele tientallen. Het dagelijks werk in de huizen werd verricht door niet-ordeleden: pachters, veerlieden, ambachtslieden, knechten, herders, enz. Hoewel niet groot in aantal, de Tempelheren zullen wel nadrukkelijk aanwezig zijn geweest. Ze hadden ruim in de wereld rondgekeken, ze beschikten over een uitgebreid net van relaties, ze waren uitstekend geïnformeerd, en ze waren er aan gewend te werken in een grote gedisciplineerde organisatie.
Volgens de pauselijke beslissingen
diende de lokale bisschop of de betreffende bisschoppelijke synode te
onderzoeken of een individuele Tempelier inderdaad schuldig was aan
ketterij, hem eventueel te veroordelen en een straf op te leggen.
Algemeen wordt aangenomen dat in de Noordelijke Nederlanden geen
Tempelieren op de brandstapel zijn terecht gekomen, mogelijk hebben
er zelfs geen arrestaties plaats gevonden. Een ordelid werd na
beëindiging van een eventuele rechtszaak niet van zijn
kloostergelofte ontslagen. Hij kon intreden in een klooster naar
eigen keuze, of in een andere ridderorde. Soms werd hem toegestaan
met een pensioen de rest van zijn leven te verblijven in een van de
huizen van de opgeheven Orde.
De bisschop in kwestie was hier de
aartsbisschop van Keulen. Hoe deze bij de afwikkeling van de
aangelegenheden van de Tempelieren uit Maas en Waal te werk is gegaan
is (nog) niet bekend. ( Zie verder: hieronder: 14 De Aartsbisschop
van Keulen ) Het ligt wel in de lijn van de verwachting, dat
menig ordelid uiteindelijk toevlucht heeft gevonden in een van de
twee genoemde abdijen; en dus verder als cisterciënzer monnik
zijn leven heeft gesleten. Mogelijk keerde hij als cisterciënzer
terug naar zijn oude huis en zette hij het beheer van de landerijen
op de oude voet voort. In ieder geval, als Tempelier hield hij op te
bestaan.
Merkwaardig in dit verband is het volgende. De abdij Gravendaal was een vrouwenklooster. Juist in die tijd was daar echter een mannenafdeling aan verbonden. ( J.van Os. Pg.121 en 122. ) De broeders hadden hun eigen kloostergebouw. Zeker ten dele waren het allesbehalve simpele werkbroeders. De abdis liet aan sommigen van hen het totale beheer van de uitgebreide abdijbezittingen over. Deze broeders hebben zich blijkbaar buitengewoon goed van hun taak gekweten. Ze stonden hoog in aanzien, waren vaak van adel en traden op met gezag. Ze werden wel rentmeester, provisor of procurator genoemd. De laatste titel was ook in de Tempelorde gebruikelijk. Het kwam voor, dat zij hun intrek namen in de hofsteden die ze beheerden, alsof ze de heer zelf waren. Zou het kunnen zijn, dat onder hen voormalige Tempelheren schuil gingen? In dat geval konden ze putten uit een rijke traditie op het gebied van leiding geven en landgoedbeheer. Blijkbaar ging dit de betrokken broeders inderdaad goed af!
Een van deze noemde zich Gerard van Deest. ( J.van Os. Pg.129 – 141.) Zijn naam komt als vertegenwoordiger van de abdis voor in alle contracten met betrekking tot de eigendommen van de abdij uit zijn periode ( rond 1320 ). Het ziet er naar uit, dat hij in die tijd de grote regisseur was achter de vele eigendomsoverdrachten. Broeder Gerard van Deest stamde uit een familie van lagere adel uit Deest. Het familiewapen toont drie schijven, wel “bezanten” genoemd. ( J.van Os. Pg.173.) De bezant was een munt uit het oosten, genoemd naar Byzantium. Het was de rekeneenheid in de tijd van de kruistochten. Bezanten in een wapen wordt wel beschouwd als een teken, dat het in oorsprong stamt van een kruisvaarder. Stamde broeder van Deest uit een kruisvaarders geslacht? Was hij een voormalig tempelridder?
10. Afwezigheid van de Tempel in de documenten.
Voor het met stille trom verdwijnen van de Tempelridders en hun bezittingen in Maas en Waal is met het voorgaande mogelijk een aanzet voor een verklaring gevonden. Begrijpelijk is misschien ook, waarom in documenten geen sporen van de Tempel worden aangetroffen. Na 1307 was de term “Tempel” besmet. Na 1312 konden eigendommen onder die naam van de kant van de Johannieterorde - mogelijk ook van andere zijden - worden opgeëist. Personen, die zich als ”Tempelier” aandienden, hing berechting en foltering boven het hoofd. In hun omgeving rook het naar de “mutsaard”. Veel documenten uit die tijd hebben betrekking op overdracht van eigendom en rechten. Dit alles in aanmerking nemend is het begrijpelijk, dat men er voor zorgde dat de naam ”Tempel” in de documenten niet meer voorkwam. Zoals de personen spoorloos opgingen in de samenleving, zo verdween ook de naam ongemerkt uit de geschriften. Over de volksmond konden schrijvers echter niet beschikken. Zo bleef de naam “Tempel” tot in onze dagen in toponiemen bewaard.
11. Vier hypothesen.
Het bovenstaande kan in een viertal “vermoedens” worden samengevat:
a. In de dertiende eeuw - mogelijk ook al eerder - was de Tempelorde pregnant in Maas en Waal aanwezig en werkzaam.
b. Na de opheffing van de Orde in 1312 werd haar rol in de zielzorg en in het beheer van haar bezittingen overgenomen door de cisterciënzer abdijen Gravendaal en Camp.
c. Dit gebeurde in samenspel met en mede in het belang van de Graven van Gelre.
d. De regie hierbij verzorgden de Tempelheren voor een groot deel zelf. Ze arrangeerden het eigen verdwijnen en verwijderden als het ware eigenhandig hun naam uit het boek van de geschiedenis. In de volksmond heeft de naam “Tempel” zich daarentegen weten te handhaven.
Deze uitspraken maken, als ze geldig
zijn, inderdaad veel begrijpelijk.
Het eerste vermoeden werd ook
redelijk onderbouwd.
De drie volgende berusten in hoge mate op
nogal gewaagde speculaties. Het zou prettig zijn, wanneer ze vanuit
nieuwe feiten ondersteuning zouden vinden, ….......respectievelijk
ondergraven of genuanceerd zouden worden.
Zijn dergelijke feiten
uit een zo ver en mistig verleden nog te achterhalen? Onmogelijk
lijkt dit niet. Met bovenstaande uitspraken voor ogen kan antwoord
gezocht worden op allerlei vragen.
Bijvoorbeeld:
- In de archieven van de twee abdijen zijn talloze contracten met betrekking tot eigendomsoverdrachten bewaard. Hoe zijn deze verdeeld in de tijd? Waar zijn de goederen, waarop zij betrekking hebben, gelegen? Wie zijn de contractanten? Wat is te achterhalen met betrekking tot hun identiteit? Komen inderdaad ongewone bepalingen voor? Overigens: er schijnen nog documenten uit de Abdij Gravendaal aan het licht te zijn gekomen, die nog niet nader zijn onderzocht.
- De graaf van Gelre was op een of andere wijze bij het spel betrokken. Valt iets te achterhalen met betrekking tot zijn beleid in dit opzicht? Wat was zijn positie in het spanningsveld: Duitse keizer / Paus / Franse koning? Duidelijk is, dat hij hier een bepaalde rol in heeft gespeeld. Welke?
- Formeel lag de beslissingsbevoegdheid met betrekking tot de liquidatie van de Tempelorde op regionaal niveau bij de betrokken bisschop. Wat is er bekend over de opstelling van de aartsbisschop van Keulen in dit opzicht? Wat is er bekend over het lot van de Tempelridders in andere delen van zijn aartsbisdom? Hoe stelde de bisschop van Utrecht zich in deze op?
Antwoorden op dergelijke vragen kunnen al of niet verenigbaar zijn met hetgeen hierboven als vermoeden werd geformuleerd en daarmee de veronderstellingen ondersteunen of krachteloos maken..
12. Reinoud I en zijn “Insula Dei”-project.
Met betrekking tot het beleid van de graaf Reinoud I van Gelre in de kritieke periode valt inderdaad een ander te zeggen. Diverse auteurs verschillen over zijn optreden nogal van mening. Een poging tot volledige uiteenzetting zou hier onnodig ver voeren. Volstaan wordt met een beknopte weergave van zijn Insula-Dei-project, voornamelijk aan de hand van de studies van R.Schneider en P. Moors in Bijdragen en Mededelingen van de Vereniging Gelre, van resp. 1990 en 2000.
In de betrokken jaren regeerde over Gelre graaf Reinoud I ( 1271 - 1318 ). Deze kwam in conflict met de hertog van Brabant over de erfopvolging in Limburg. In 1288 werd een beslissende slag geleverd bij Woeringen. Reinoud en zijn bondgenoten werden er vernietigend verslagen. De Gelderse graaf hield er, naar veelal wordt aangenomen, een niet goed genezende hoofdwond aan over, ….... en een grote schuld. Om de laatste te kunnen aflossen was hij genoodzaakt zijn gehele graafschap tot 1297 in onderpand te geven. In de jaren, die hij hierdoor gedwongen was terug te treden, heeft zich in hem klaarblijkelijk een geestelijke omwenteling voltrokken. Deze resulteerde in een plan tot ingrijpende reorganisatie van zijn graafschap in de richting van een strak centraal geleide, hiërarchisch geordende gemeenschap, sterk religieus-charitatief-monastiek getint. De inspiratie ertoe stamde uit eschatologische theorieën die in die dagen vooral in Franciscaner kringen opgeld deden. Verwacht werd, dat op korte termijn een nieuw tijdperk in de heilsgeschiedenis van de mensheid zou aanbreken. Door een geestelijke verlichting zou de volheid van Gods wezen aan de gemeenschap van de heiligen getoond worden. Daarmee zou de Kerk tot haar uiteindelijke voltooiing geraken. In de heilstijd, die daarmee aanbrak, zou de opbouw plaats vinden van een ideale samenleving: de stad Gods. Daar zou voor eeuwig vrede heersen. De hervormingsplannen van Reinoud waren er op gericht zijn graafschap zo in te richten, dat het naar vermogen vooruitgijpnd reeds de structuur zou vertonen van de te verwachten heilsstaat.Het trefwoord, waarmee deze utopische gemeenschap werd gekarakteriseerd, luidde: “Insula Dei”.
Reinoud nam een reeks maatregelen, gericht op het tot uitvoering brengen van dit plan.
1. In 1306 werden aan het hof van paus Clemens V in Avingon voor de graaf een aantal oorkonden uitgegeven, waarin de reorganisatie van zijn graafschap onder religieus voorteken werd aangekondigd. Aangegeven werd dat de graaf het Kruis had aangenomen. Meegedeeld werd, dat hij tijdens zijn kruistocht zijn graafschap onder pauselijke bescherming stelde.
2. Aansluitend stichtte de graaf in steden enkele kloosters voor bedelorden en drie hospitalen. Verder deed hij omvangrijke schenkingen aan de kommanderijen van de Orde van St Jan (de Hospitaalridders) in Arnhem, Nijmegen, ’s Heerenloo, Hattem en Ingen.( Hoefer en Van Veen, pg. 308 en 309; 316 – 318; 329 en 330.) Uit een en ander blijkt, dat hij er naar streefde het religieus en charitatief leven in de opkomende steden te stimuleren.
3. Een groot aantal parochiekerken werd overgedragen aan kloosters. Het streven was er op gericht alle zielzorg door kloosterlingen te doen plaatsvinden.
4. Bepaald werd, dat de naam van bepaalde steden en nog te stichten steden vooraf zou worden gegaan door ‘Insula Dei”. Dit gold bijvoorbeeld voor: Hattem, Elburg, Harderwijk, Lochum, Doesburg, Doetichem, Gendt, Emmerik, Zaltbommel, Maasbommel,Wageningen, Goch, Roermond. Kriekenbeek, Kessel, Montfoort, en Nieuwstad.
5. Het was de bedoeling, dat in deze steden een hospitaal (gasthuis) een centrale rol zou spelen, niet alleen wat de gezondheidszorg betrof, maar ook als liefdadigheidsinstelling, als stedelijk bestuur- en beheercentrum en als instantie die verantwoordelijk zou zijn voor het grafelijke leger en voor de verzorging van de grafelijke hofhouding. Ook de financiering van de toekomstige kruistocht zou vanuit deze hospitalen dienen te geschieden. Het hospitaal vertegenwoordigde in de stad dus het centrale gezag. De leider, “rector” genaamd, zou door de graaf worden benoemd. De hospitalen waren hiërarchisch geordend. Ze werden “Mons Dei” genoemd, verwijzend naar de mystieke berg, waarop de “stad Gods” gebouwd was.
6. In 1312 gaf de keizer - kennelijk daartoe geïnspireerd door Reinoud - een oorkonde uit, waarbij vrijwel alle privileges van de Gelderse steden nietig werden verklaard. Reinoud werd aansluitend gemachtigd, nieuwe stedelijke privileges vast te stellen. Daartoe werden in hoge mate uniforme stadsoorkonden ontworpen. Doel van de hele exercitie was: centralisering van het bewind, gepaard aan een sterkere binding aan de persoon van de graaf.
Deze maatregelen werden slechts ten dele werkelijk tot uitvoering gebracht. Veel bleef onvoltooid. Sommige historici zijn zelfs van mening, dat de oorkonden, waarin de stedelijke rechten opnieuw werden geregeld, nooit vanuit de grafelijke kanselarij werden verzonden. (Jappe Alberts, 1982. pg.26). Reinoud kwam na in toenemende mate in moeilijkheden. In het kader van zijn hervormingsplannen deed hij aanzienlijke schenkingen aan kloosters en hospitalen. Hij raakte diep in de schuld. Onder zijn onderdanen groeide de weerstand. Men zag met lede ogen grote bedragen wegvloeien naar religieuze instellingen. Steden, adel en wereldgeestelijken ergerden zich aan het verlies aan invloed en vrijheid, dat de sterk autoritair-centralistisch getinte hervorming met zich bracht. De naar het megalomane neigende plannen van de graaf werden toegeschreven aan een gestoorde geest, die een gevolg zou zijn van de nooit geheelde hoofdwond, opgedaan bij de slag bij Woeringen.
De zoon van de graaf - de latere Reinoud II - stelde zich aan het hoofd van de ontevredenen. Een conflict laaide op. Door bemiddeling kwam in 1318 een verzoening tot stand. De bestuurstaak zou tussen vader en zoon verdeeld worden. Spoedig nam Reinoud II als “soen des greven van Gelre” het roer volledig in handen. De oude graaf bracht op grond van “zwakheid van geest” zijn laatste jaren in onvrijheid door op het slot Montfoort. Hij overleed in 1326. Hij werd, zoals zijn voorgangers, begraven in de abdij Gravendaal.. Zijn grootse plannen bleven vrijwel onuitgevoerd. Het is een punt van discussie gebleven, of zijn project beschouwd moet worden als een plan met allure van een eigengereid staatsman, of als het product van een zieke geest. Het is overigens een feit, dat Reinoud I voor zijn plannen waardering en steun heeft gevonden bij de paus en bij de Duitse keizer. Ook kwamen in zijn dagen overeenkomstige tendensen op meerdere plaatsen in Europa. naar voren. In Frankrijk worden bijvoorbeeld nu nog tenminste 18 steden geteld, die “Ville Dieu” worden genoemd, met een soortgelijke historische achtergrond.
13. Insula Dei en de Tempel
In de tienerjaren van de veertiende eeuw gingen de grootse plannen van Reinoud I roemloos ten onder. In vrijwel de zelfde jaren vond de machtige en trotse Tempelorde haar tragisch einde. Merkwaardig is, dat in de toch betrekkelijk talrijke documenten met betrekking tot het Insula-Dei-project de Tempelorde en haar ondergang niet worden aangeroerd. Voor zover nu valt te overzien wordt de naam van de Tempelorde er zelfs niet genoemd.
Dit is op het eerste gezicht bevreemdend. Het is het moeilijk denkbaar, dat Reinoud bij de conceptie van zijn plannen zijn houding ten aanzien van de Tempelorde niet bepaald zou hebben. Hij stond in nauw conact met de hoofdrolspelers in het betrokken drama: Paus Clemens V en de Franse koning Philips IV. Hij verbleef langere perioden aan hun hoven. Hij wist waardering en medewerking voor zijn plannen te verwerven van de paus en van de Duitse keizer. Hij bereidde een nieuwe kruistocht voor. In zijn plannen werd aan de Johannieters een duidelijke rol toegewezen. Deze Orde werd door hem in aanzienlijke mate begiftigd. Hij moet zich ook een mening gevormd hebben ten aanzien van de bijdrage van de Tempelorde aan zijn project. Hij moet zich, gezien zijn eigenzinnige geaardheid ook daadwerkelijk in de gang van zaken hebben gemengd. Waarom dan die stilte met betrekkng tot de Tempelorde?
Te begrijpen valt zijn voorkeur voor de Johannieters wel. Deze legden zich immers toe op ziekenverpleging en charitatief werk. Ze waren daardoor werkzaam in de opkomende steden, daar waar de belangstelling en de zorg van de graaf naar uitging en waar de centra van zijn machtsuitoefening gedacht werden. De Tempelieren daartegenover richtten zich meer op de rurale wereld. Ze beveiligden de wegen in het open veld. Ze vestigden zich bij voorkeur op het platteland. Ze vermeden de steden zelfs zoveel mogelijk. Bovendien, het werken met twee ridderorden is van militair-organisatorisch gezichtspunt nodeloos gecompliceerd, kostbaar en niet zonder risico. Het naast elkaar bestaan van de twee grote orden werd in die dagen door velen als een van de oorzaken van het mislukken van de kruistochten gezien. Het is duidelijk, dat de Gelderse Graaf, wat deze controverse betrof, voor de Johannieters en tegen de Tempelieren zal heeft gekozen.
De moeilijkheden, die zich na 1305 voor de Tempelorde aftekenden, zullen de graaf gesterkt hebben in deze voorkeur. Voor een van afzichtelijke misdaden en ketterij beschuldigde orde zal geen plaats geweest zijn in zijn plannen. De uiteindelijke opheffing van de Orde in 1312 was hem waarschijnlijk niet onwelkom.
Hier stond tegenover, dat de graaf voor zijn kruistochtplannen geen man en geen bron van inkomsten zal hebben willen missen. Het onderbrengen van de Tempelieren en hun bezittingen onder de vleugels van de Johannieterorde of van de twee cisterciënzer abdijen - zoals boven onder 8 en 9 werd geschetst - was voor alle partijen een geschikte oplossing. Zowel de tempelridders als hun bezittingen zouden beschikbaar blijven voor de societas en voor de kruistocht. Mogelijk vonden de graaf, de twee abdijen, de Hospitaalridders en de verweesde Tempelieren elkaar probleemloos in het project “Insula Dei”. Ze deelden immers de religieuze-charitatieve-monastieke geest ervan en het streven naar een nieuwe kruistocht. Hoe dit moge zijn, aangenomen mag worden, dat – wanneer de Tempelorde inderdaad op de veronderstelde wijze in het Gelderse aanwezig is geweest – Reinoud I zich met haar liquidatie in de veronderstelde richting zal hebben bezig gehouden. Zijn streven zal in dat geval gericht zijn geweest op het stilzwijgend en geruisloos verdwijnen van de Tempelorde met behoud van de mankracht en de goederen ten dienste van zijn “societas” en zijn voorgnomen kruistocht. Dat mede door het ingrijpen van de “soen des greven van Gelre” de zaken een andere wending hebben genomen, waarbij de centralisering van het Gelders bestuur, de “stad Gods”en de kruistocht uit het zicht zijn geraakt, behoort tot een ander hoofdstuk. Het met stille trom verdwijnen van De Tempel uit het Gelderse werd er niet mee ongedaan gemaakt.
14 De Aartsbisschop van Keulen
Aartsbisschop van Keulen in die dagen was Hendrik van Virneburg (1306 - 1332). Men noemt hem een goed kerkvorst, die zijn aartsbisdom in een roerige tijd met toewijding bestuurde. ( W.Jappe Alberts, 1982. pg. 21 - 50. ). Hij bevorderde sterk de voortgang van de bouw van de dom van Keulen. Ketterij werd door hem bestreden. Meerdere terechtstellingen vonden onder zijn bewind plaats. Hij stelde begijnen en begarden in staat van beschuldiging van ketterij. Het proces tegen Meister Eckart werd door hem in gang gezet. Zijn positie als keurvorst bracht met zich, dat hij diepgaand verwikkeld raakte in de problemen van het keizerrijk en van het toenmalige Europa in het algemeen. Zo kon het gebeuren, dat hij in 1308 aan de Franse koning Philips IV uitdrukkelijk toezegde hem terzijde te zullen staan en in het bijzonder zijn wensen inzake de vervolging van de Tempelieren te zullen vervullen. Toen Philips later een poging deed de Duitse keizerskroon in Franse handen te brengen, heeft hij hem als keurvorst daarbij niet gesteund. Hendrik van Virneburg nam deel aan het concilie van Vienne in 1312 waar de Tempelorde werd opgeheven.
Als wereldlijk vorst streefde hij naar uitbreiding, afronding en consolidering van de “terra Coloniensis”.Het gebied tussen Rijn en Maas werd in zijn dagen geplaagd door grote onveiligheid op land- en waterwegen. Ook feodale heersers maakten zich schuldig aan afpersing, en ondernamen stroop- en plundertochten. Voorts was Hendrik bijna voortdurend verwikkeld in conflicten, onder anderen met de burgers van Keulen, zijn eigen bisschopsstad. Hij verkeerde bijgevolg steeds in geldnood. Hij was doorlopend op zoek naar steun van bondgenoten in de strijd. Volgens de gebruiken van die dagen gebeurde dit vooral door het verlenen van gunsten en gaven. Zo probeerde hij de machtige abdij van Kamp voor zich te winnen, door haar het patronaatsrecht en de zielzorg over rijke plattelandsparochies toe te vertrouwen. Kerken in Maas en Waal kwamen zo in handen van de abdij.
Van Hendrik van Virneburg wordt vermeld, dat hij in strijd met de pauselijke instructies, in samenspraak met de aartsbisschoppen van Trier en Mainz, aanzienlijke tempeleigendommen heeft achtergehouden, dit tot ergernis van Philips de Schone. Verder is bekend, dat hij ketterijen actief vervolgde, maar dat hij waarschijnlijk tegen de Tempelieren geen maatregelen heeft genomen. Dit alles is niet in strijd met de bovengenoemde hypotheses. Van de andere kant is het te weinig specifiek om tot een meer pertinente uitspraak te komen. Duidelijk is wel, dat Hendrik uitdrukkelijk met de problematiek rond de opheffing van de Tempelorde werd geconfronteerd en zijn houding er tegenover heeft moeten bepalen. Kan hierover meer duidelijkheid verkregen worden?
|
|
Bavel, B.J.P.van |
Goederenverwerving en goederenbeheer van de abdij Mariënweerd ( 1129 -1592 ) |
Hilversum, 1993. |
|
|
|
Beaufort, R.F.P. de, en H.M. v.d. Berg |
van Geschiedenis en Kunst. Deel III. De Provincie Gelderland. Onderdeel ‘De Betuwe’ Monumenten. |
‘s-Gravenhage. 1968 |
|
|
|
Beresteyn, E.A. van |
Geschiedenis der Johanniter-Orde in Nederland. |
Assen, 1934. |
|
|
|
Gemeente Overasselt (Uitgave) |
Geschiedenis van de Maasdorpen Overasselt, enz. |
|
|
|
|
Gorissen, F. |
Die Burgen im Reich von Nimwegen. |
In: Niederreinisches Jahrbuch iv 1959 |
|
|
|
Heiningen, H.van |
De Historie van het Land van Maas en Waal |
Zaltbommel, 1965 |
|
|
|
Heuvel, L.van den |
Onze Lieve Vrouw ter Nood Gods te Bergharen. |
Maastricht, 1938 |
|
|
|
Hoefer, F.A. en J.S. van Veen |
De Commanderieën der Orde van St.Jan in Gelderland. |
In: Gelre, deel XIII, Arnhem 1910, pg. 277 – 332. |
|
|
|
Jappe Alberts, W. |
Overzicht van de geschiedenis van de Nederrijnse territoria tussen Maas en Rijn. Deel II, 1288 - + 1500 |
Assen, 1982.
|
|
|
|
Leppink, G.B. |
Het Sint Catharinae Gasthuis in Arnhem in de eerste vier eeuwen van zijn bestaan (1246-1636) |
Hilversum, 1996. |
|
|
|
Manders, J.H. |
Het Land tussen Maas en Waal. |
Zutphen, 1981 |
Pg. 86- 90 |
|
|
Meertens-Instituut |
Bergharen in: Bedevaartplaatsen in Nederland |
|
|
|
|
Moors, P. |
“Frenetieke activiteit”? De religieus-ideologische politiek van graaf Reinoud I van Gelre, 1288-1318 |
In: Bijdragen en Mededelingen Vereniging Gelre. 91 (2000). |
|
|
|
Os, J.van |
1000 jaar Deest. Stichting “Duizend jaar Deest”. |
Deest, 1997. |
|
|
|
Raeven, J. |
Geschiedenis van het Schependom van Nijmegen. |
Privé-uitgave |
|
|
|
Reijnen, R. en J.Wildenberg |
Een Romeinse weg in de natuur. In: Archeologische Berichten Wijchen. Rapport 1. |
Nijmegen, 2006. |
|
|
|
Schneider, R. |
Die Kreuzzugsidee als Leitmotiv Landesherrlichen Handelns; ein Beitrag zu den “Insula Dei”-Diplomen Reinalds I von Geldern (1271 - 1326). |
In Gelre ,Deel LXXXI Arnhem 1990. |
|
|
|
Schulte, A.G. |
Het Land van Maas en Waal. |
’s-Gravenhage, 1986. |
Pg. 451 en 452 |
|
|
V., J.S. v. |
Verklaring aangaande het veer tusschen Rhenen en De Marsch. In: Gelre. Bijdragen en Mededelingen. XXXII |
Arnhem, 1929. |
pg.259 en 260 |
|
|
Willems, W.J.H. |
Romans and Batavians. A Regional Study in the Dutch Eastern River Area, I. In: Berichten van de Rijksdiemst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek. |
Jrg.31, 1981. |
|